Welke materialen en legeringen worden er gebruikt bij Munten ?

De waarde van een munt wordt mee bepaald door de gebruikte metalen en legeringen. De meeste munten zijn een legering, met andere woorden een homogene massa verkregen door een mengsel van twee metalen (door smelting). Een ander woord voor legering is het uit het Frans afkomstig ‘alliage’, wat vermenging of mengsel betekent.

De metalen

Zilver (Ag – Argentum) – edel metaal, Zilveren munten
Zilver is het meest gebruikte metaal voor munten door de eeuwen heen (vanaf 700 voor Christus). Net als goud is zilver vandaag te duur Voor munten wordt het vervangen door goedkopere metalen. Evenals goud wordt zilver in de numismatiek steeds gelegeerd met andere metalen (meestal koper).

Goud (Au – Aurum) – edel metaal, Gouden Munten
Goud, de koning der metalen, werd vroeger in de oudheid al veel gebruikt. Tegenwoordig is goud voor munten te duur en worden nog enkel gelegenheidsmedailles en -munten in goud aangemaakt. De kostprijs van het goud wordt uitgedrukt in dollar per troy ounce (31,1035 g), en is dagelijks verhandelbaar op vele beurzen in de wereld. Deze prijzen kan je volgen in de krant of op internet.
De maataanduiding voor goud is karaat (Arabisch). Zuiver goud is 24 karaat, maar dit materiaal is te zacht om zuiver gebruikt te worden. Daarom is een legering met een ander metaal noodzakelijk, meestal koper. Hoe meer koper bij het goud gevoegd wordt des te lager is zijn karaat. Goud is als muntmetaal zeer populair, niet alleen om zijn waarde maar ook omdat het niet oxideert en goed bestand is tegen zuur

Platina (Pt – Platina) – edel metaal, Platina Munten
Platina wordt zeer weinig gebruikt in de numismatiek, vandaag alleen nog voor herdenkingsmedailles of -munten en – penningen. Enkel in Rusland vinden we platina in munten in de periode van 1828 tot 1830 wel eens. Platina kan gelegeerd worden met koper maar dit is niet noodzakelijk.

Koper (Cu – Cupuruum) Koper munten
Koper is een populair metaal in de zuivere vorm in de numismatiek. Door de eeuwen heen werden er de munten van kleine waarden van gemaakt (al in 400 voor Christus), net als talloze herdenkingsmedailles en -munten en -penningen. Koper is ook een basismetaal voor vele legeringen.

Nikkel (Ni – Nikkel) Nikkel munten
Nikkel is een hard roestvrij metaal, dat tegenwoordig in de numismatiek het zilver vervangt. Het wordt veel gebruikt in legeringen maar ook in zuivere toestand. Hoofdzakelijk voor huidallergieën vervangen!

Zink (Zn – Zink) Zinken munten
Zink werd enkel gebruikt in zuivere vorm in de numismatiek in oorlogstijd, of als noodmunten. Het is een zeer zacht metaal dat voor een verzameling speciaal behandeld dient te worden tegen zinkpest, de ongewenste witte plekken die op een zinken munt met een onzuivere legering kunnen voorkomen. Zink is ideaal voor legeringen.

Lood (Pb – Plumbum) Loden munten
Lood wordt bijna nooit gebruikt voor munten omdat dit metaal te zacht is. We vinden het eerder terug in sommige vervalsingen.

Tin (Sn – Stannum) Tinnen munten
Een weinig gebruikt metaal in de numismatiek, soms voor noodmunten of broodpenningen. Wel is tin ideaal voor legeringen.

Aluminium (Al – Aluminium) Aluminium munten
Aluminium is een heel licht metaal dat vandaag gebruikt wordt voor munten met een kleine waarde. Aluminium is het meest voorkomende metaal op de wereld. Het wordt ook veelvuldig gebruikt in legeringen.

IJzer (Fe – Ferrum) IJzeren munten
IJzer is een metaal dat slechts af en toe gebruikt wordt in de numismatiek. Enkel Duitsland gebruikt het veel, maar dan in lagen (bi-metaal).

De legeringen

De legeringen zijn samengesteld uit de reeds genoemde metalen.

Brons is een legering van koper met een percentage tin en eventueel ook een beetje zink. Een voorbeeld. De Belgische halve frank brons, type mijnwerker bevat 95% koper, 3% tin en 2% zink. Brons is door de eeuwen heen zeer veel gebruikt. Het verschil herkennen tussen een koperen en een bronzen munt is eenvoudig. De bronzen munten zijn donkerder van kleur met een lichtgele glans, de koperen munten zijn roder van kleur.
Messing wordt ook wel geel koper genoemd.

De legering bestaat uit koper en zink. Messing wordt gebruikt voor kleinere pasmunten met een lage nominale waarde en voor penningen.
Elektron is een natuurlijke legering van goud en zilver. Deze legering werd enkel in de oudheid gebruikt. Munten, geslagen in elektron, zijn zeldzaam.

Maillechort (Nieuwzilver – Argentaan – Alpaca) is een legering van koper, nikkel en zink. Voorbeelden zijn de Belgische munten van tien en vijf centiem, met middengat. Deze bestaan uit 75% koper, 15% nikkel en 10% zink. Deze legering werd uitgevonden door twee werklieden uit Lyon, met name Maillot en Chorier.
Koper-nikkel is een legering van koper en nikkel voor het eerst toegepast in de U.S.A. bij de 1 cent 1856 (88% koper en 12% nikkel).

Het is nu in de hedendaagse numismatiek een van de meest gebruikte legeringen. Evenals het nikkel wordt koper-nikkel veel gebruikt ter vervanging van het dure zilver.

Tombak (of Similor) is een goudkleurige legering bestaande uit 4 delen tot 12 delen koper en 1 deel zink. Er zijn nog tal andere legeringen die gebruikt worden of werden in de numismatiek.

De meest gebruikte woorden in de numismatiek

  • Aanmunten: het slaan (produceren) van munten bij een munthuis.
  • Afslag: muntslag met originele stempels in een afwijkend metaal. Komt veel voor bij Nederlandse en Indische koperen munten, omdat een zilveren of gouden afslag van bijvoorbeeld een koperen duit werd gezien als een leuk geschenk. Afslagen zijn niet bedoeld voor de omloop.
  • Agio (ook opgeld genoemd): het verschil tussen de werkelijke waarde in goud en de prijs die je betaalt.
  • Aanmunten: het aanmaken van muntstukken, een muntplaatje voorzien van een afbeelding.
  • Biedprijs: de hoogste prijs van gouden munten, dagelijks in de krant vermeld of koopprijs.
  • Bruneren: een geslagen munt met bruneerstaal polijsten zodat die op een proefslag gaat lijken. Bruneren verwijdert detail en verlaagt dus de conditie van een munt.
  • Doormeter : diameter of middellijn – ø
  • Expertise : deskundige ontleding van een verzameling.
  • Gejusteerd : het op juist gewicht gebrachte muntplaatje, duidelijk te zien aan de krassen op de munt.
  • Gehalte : hoeveelheid van een bestanddeel in een of andere legering.
  • Gietpenning : een gegoten penning.
  • Gietgal : gal of holte op een munt of penning ontstaan bij het gieten.
  • Goudgehalte: de hoeveelheid goud in een munt aanwezig.
  • Gepolijste stempel (ook proof genoemd): hoogste kwaliteitstrap in de numismatiek. (zie ons artikel over het bepalen van de kwaliteit van munten)
  • Halssnede: de plaats waar de hals (van afgebeeld hoofd) afgesneden wordt, meestal bevindt zich daaronder de naam van de graveur
  • Incuus: een zijde van de munt is normaal geslagen, en op de andere zijde is de normaal geslagen zijde hol (incuus) afgebeeld.
  • Jaarsets : jaarlijks uitgegeven sets door de Koninklijke Munt met de in dat jaar geslagen munten.
  • Kwartslag : neem de munt tussen wijsvinger en duim met de voorzijde naar boven, en draai hem een volle slag zodat de keerzijde boven komt. De stand van de munt zal dan een kwartslag afwijken van de voorzijde (naar links of naar rechts).
  • Keerzijde : de muntzijde waar de waarde op afgebeeld wordt (Kz).
  • Lot : verschillende munten samengevoegd, onder een geheel (nummer) bij een veiling.
  • Lotnummer : het nummer toegewezen door de veilinghouder aan een lot of munt.
  • Laatprijs : de laagste prijs van gouden munten, dagelijks in de krant vermeld of de verkoopprijs.
  • Listel : verheven boord rondom een muntstuk.
  • Medailleslag : neem de munt tussen wijsvinger en duim met de voorzijde naar boven en draai hem een volle slag zodat de keerzijde boven komt. De munt zal in dezelfde stand staan zoals je de voorzijde voorheen had.
  • Misslag : een munt per ongeluk verkeerdelijk geslagen.
  • Munthouder : beschermkartonnetje met een transparant venster, waardoor je de munt langs alle zijden kunt bekijken.
  • Muntmeester : de verantwoordelijke van de Koninklijke Munt.
  • Muntmeesterteken : het teken van de muntmeester afgebeeld op een muntstuk.
  • Muntwals : antieke muntpers.
  • Muntenset : verschillende munten samengebracht in een set door bijvoorbeeld de Koninklijke Munt.
  • Muntplaats : plaats waar de munten aangemaakt worden (De Koninklijke Munt in Brussel of Utrecht).
  • Muntplaatje : het blanco metalen plaatje dat zal gebruikt worden voor het aanmunten.
  • Muntslag : neem de munt tussen wijsvinger en duim met de voorzijde naar boven en draai hem een volle slag zodat de keerzijde boven komt. De munt zal in de tegenovergestelde stand staan als de voorzijde die je voorheen had.
  • Noodmunt : munt aangemaakt, korte of lange tijd na de originele aanmunting (met meestal duidelijk verschil). In België zijn de naslagen aangemaakt door de Koninklijke Munt, in andere landen is dat niet altijd zo.
  • Naslag : een munt gemaakt bij gebrek aan voldoende circulatiemunten.
  • Numismatiek : de studie van munten en penningen (munt- en penningkunde).
  • Numismaat : de munt- en penningdeskundige of verzamelaar.
  • Overslag : een reeds geslagen munt hergebruiken voor een nieuwe aanmunting, bv. de munt van 2 centiem van België, Leopold I, geslagen over 1 cent Willem I van Nederland.
  • Ontmunting : het uit omloop nemen van een bepaalde munt.
  • Proefslag : een munt aangemaakt als proef.
  • Reduceermachine : verkleinmachine gebruikt bij het munt slaan
  • R: zeldzaam.
  • RR: zeer zeldzaam.
  • RRR: uiterst zeldzaam.
  • RRRR: unicum.
  • Randschrift : de tekst afleesbaar op de rand van de munt.
  • Schroefpers : antieke muntpers.
  • Stempelbreuk : breuk in de stempel (een kloofje), wat zich op de munt manifesteert als een fijn opliggend draadje.
  • S: schaars (afkorting).
  • Vervalsing : namaakmunt aangemaakt met de bedoeling andere mensen te bedriegen en winst te maken.
  • Voorzijde : de muntzijde waarop meestal het koningshoofd, leeuw, monogram enz… afgebeeld staat.
  • Variant : afwijking op een munt, verschillend van het normale type.
  • Zinkpest : witte plekken (oxidatieplekken) op zinken munten.