De meest gebruikte woorden in de numismatiek

  • Aanmunten: het slaan (produceren) van munten bij een munthuis.
  • Afslag: muntslag met originele stempels in een afwijkend metaal. Komt veel voor bij Nederlandse en Indische koperen munten, omdat een zilveren of gouden afslag van bijvoorbeeld een koperen duit werd gezien als een leuk geschenk. Afslagen zijn niet bedoeld voor de omloop.
  • Agio (ook opgeld genoemd): het verschil tussen de werkelijke waarde in goud en de prijs die je betaalt.
  • Aanmunten: het aanmaken van muntstukken, een muntplaatje voorzien van een afbeelding.
  • Biedprijs: de hoogste prijs van gouden munten, dagelijks in de krant vermeld of koopprijs.
  • Bruneren: een geslagen munt met bruneerstaal polijsten zodat die op een proefslag gaat lijken. Bruneren verwijdert detail en verlaagt dus de conditie van een munt.
  • Doormeter : diameter of middellijn – ø
  • Expertise : deskundige ontleding van een verzameling.
  • Gejusteerd : het op juist gewicht gebrachte muntplaatje, duidelijk te zien aan de krassen op de munt.
  • Gehalte : hoeveelheid van een bestanddeel in een of andere legering.
  • Gietpenning : een gegoten penning.
  • Gietgal : gal of holte op een munt of penning ontstaan bij het gieten.
  • Goudgehalte: de hoeveelheid goud in een munt aanwezig.
  • Gepolijste stempel (ook proof genoemd): hoogste kwaliteitstrap in de numismatiek. (zie ons artikel over het bepalen van de kwaliteit van munten)
  • Halssnede: de plaats waar de hals (van afgebeeld hoofd) afgesneden wordt, meestal bevindt zich daaronder de naam van de graveur
  • Incuus: een zijde van de munt is normaal geslagen, en op de andere zijde is de normaal geslagen zijde hol (incuus) afgebeeld.
  • Jaarsets : jaarlijks uitgegeven sets door de Koninklijke Munt met de in dat jaar geslagen munten.
  • Kwartslag : neem de munt tussen wijsvinger en duim met de voorzijde naar boven, en draai hem een volle slag zodat de keerzijde boven komt. De stand van de munt zal dan een kwartslag afwijken van de voorzijde (naar links of naar rechts).
  • Keerzijde : de muntzijde waar de waarde op afgebeeld wordt (Kz).
  • Lot : verschillende munten samengevoegd, onder een geheel (nummer) bij een veiling.
  • Lotnummer : het nummer toegewezen door de veilinghouder aan een lot of munt.
  • Laatprijs : de laagste prijs van gouden munten, dagelijks in de krant vermeld of de verkoopprijs.
  • Listel : verheven boord rondom een muntstuk.
  • Medailleslag : neem de munt tussen wijsvinger en duim met de voorzijde naar boven en draai hem een volle slag zodat de keerzijde boven komt. De munt zal in dezelfde stand staan zoals je de voorzijde voorheen had.
  • Misslag : een munt per ongeluk verkeerdelijk geslagen.
  • Munthouder : beschermkartonnetje met een transparant venster, waardoor je de munt langs alle zijden kunt bekijken.
  • Muntmeester : de verantwoordelijke van de Koninklijke Munt.
  • Muntmeesterteken : het teken van de muntmeester afgebeeld op een muntstuk.
  • Muntwals : antieke muntpers.
  • Muntenset : verschillende munten samengebracht in een set door bijvoorbeeld de Koninklijke Munt.
  • Muntplaats : plaats waar de munten aangemaakt worden (De Koninklijke Munt in Brussel of Utrecht).
  • Muntplaatje : het blanco metalen plaatje dat zal gebruikt worden voor het aanmunten.
  • Muntslag : neem de munt tussen wijsvinger en duim met de voorzijde naar boven en draai hem een volle slag zodat de keerzijde boven komt. De munt zal in de tegenovergestelde stand staan als de voorzijde die je voorheen had.
  • Noodmunt : munt aangemaakt, korte of lange tijd na de originele aanmunting (met meestal duidelijk verschil). In België zijn de naslagen aangemaakt door de Koninklijke Munt, in andere landen is dat niet altijd zo.
  • Naslag : een munt gemaakt bij gebrek aan voldoende circulatiemunten.
  • Numismatiek : de studie van munten en penningen (munt- en penningkunde).
  • Numismaat : de munt- en penningdeskundige of verzamelaar.
  • Overslag : een reeds geslagen munt hergebruiken voor een nieuwe aanmunting, bv. de munt van 2 centiem van België, Leopold I, geslagen over 1 cent Willem I van Nederland.
  • Ontmunting : het uit omloop nemen van een bepaalde munt.
  • Proefslag : een munt aangemaakt als proef.
  • Reduceermachine : verkleinmachine gebruikt bij het munt slaan
  • R: zeldzaam.
  • RR: zeer zeldzaam.
  • RRR: uiterst zeldzaam.
  • RRRR: unicum.
  • Randschrift : de tekst afleesbaar op de rand van de munt.
  • Schroefpers : antieke muntpers.
  • Stempelbreuk : breuk in de stempel (een kloofje), wat zich op de munt manifesteert als een fijn opliggend draadje.
  • S: schaars (afkorting).
  • Vervalsing : namaakmunt aangemaakt met de bedoeling andere mensen te bedriegen en winst te maken.
  • Voorzijde : de muntzijde waarop meestal het koningshoofd, leeuw, monogram enz… afgebeeld staat.
  • Variant : afwijking op een munt, verschillend van het normale type.
  • Zinkpest : witte plekken (oxidatieplekken) op zinken munten.

3 reacties op “De meest gebruikte woorden in de numismatiek

  1. Pingback: Uit welke materialen en legeringen worden munten gemaakt ?

  2. Pingback: Munten, hoe bepaal je hun waarde ?

  3. Pingback: De 3 onafhankelijke munt tradities in de wereld !

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *