Wij kopen al uw gouden munten en penningenGold-50 :: inkoopweb, wij kopen uw oud, gouden en zilveren munten en/ of penningenKlik hier voor meer info :: Inkoop gouden munten en penningen :: Gold-50

Archive for the 'Munten bezienswaardigheden' Category

mei 09 2012

Reinigen van munten en penningen

Bekijk dit FILMPJE over de aankoop en verkoop van goud

Munten en penningen verzamelen is voor velen een fijne hobby, of zelfs iets meer. We vonden voor u een aantal tips voor het reinigen op de website www.numismatic.be van Rudy Beirnaert die we u graag willen meegeven.

Voorzichtig reinigen van munten en penningen

Het reinigen van munten en penningen moet voorzichtig gebeuren. Al te forse ingrepen zullen namelijk meer bederven dan goedmaken. Zij kunnen niet alleen tot beschadiging, maar zelfs tot uiteindelijke vernietiging van de munten leiden. Ook esthetisch gezien is het niet gewenst de munten te grondig te reinigen. Koperen munten bijvoorbeeld zijn vaak overdekt met minerale lagen, die aangeduid worden met de term patina. Wanneer dit patina een mooi, egaal uiterlijk heeft, moet men het zeker onaangetast laten. De kleur van dit patina kan, afhankelijk van de chemische samenstelling, zeer verschillend zijn. Er zijn vele schakeringen, variërend van zwart en bruin tot grijs, blauw en groen. In het algemeen wordt patina op kunstvoorwerpen beschouwd als een verfraaiing en derhalve wordt het op moderne penningen ook wel kunstmatig aangebracht.

Algemene regels
* Gedistilleerd water
Gebruik bij het aanmaken van schoonmaakmiddelen en bij het gehele reinigingsproces altijd gedistilleerd water en geen leidingwater. Dit is noodzakelijk omdat in gedistilleerd water geen bestanddelen voorkomen die schadelijk zijn voor de metalen. Deze treft men wel aan in regen- en leidingwater. Gedistilleerd water kan dan ook niet door gekookt water vervangen worden.
* Poetsen
Gebruik nooit zilver- of koperpoets en poets de munten nooit lang met een doek. Laat bij het behandelen van de munten gebruik van harde voorwerpen achterwege. Door te poetsen krijgen de munten vaak een onnatuurlijke glans en door het gebruik van harde voorwerpen ontstaan krassen. Gebruik liever een borstel dan een doek; bijvoorbeeld een bijgeknipte tandenborstel of een nagelborsteltje.
* Spoelen
Na elke behandeling moeten de munten goed gespoeld worden. Dit is erg belangrijk. Worden de bij het reinigingsproces gebruikte stoffen als citroenzuur of natriumbisulfaat niet goed uit het metaal verwijderd, dan kan dit leiden tot verregaande aantasting van de munten. Wanneer de zuurresten die achtergebleven zijn op de munten, in aanraking komen met de zuurstof uit de buitenlucht, vindt er onder invloed van de vochtigheid namelijk een sterk versnelde oxidevorming plaats. Leg de munten in een bad met gedistilleerd water. Zij mogen niet op elkaar liggen en moeten regelmatig omgedraaid worden. Wanneer deze werkwijze niet gevolgd wordt, kunnen verkleuringen op de munten ontstaan. Een enkele keer water verversen is noodzakelijk, omdat anders het water verzuurt en de chemicaliën op de munten blijven inwerken. Na ongeveer dertig minuten is de behandeling voltooid. Spoelen is voldoende bij gouden en zilveren voorwerpen. Voor koperen andere onedele metalen is spoelen alleen vaak niet voldoende. De chemicaliën werken bij deze metalen tot diep in de munten door en zijn met alleen spoelen niet te verwijderen. De behandelde munten kunnen daarom beter geneutraliseerd worden.
* Neutraliseren
Neutraliseren is evenals spoelen een methode om de ingrijpende werking van chemicaliën stop te zetten. Het voordeel van neutralisatie is dat het direct de werking van een bepaalde stof opheft. Een gebruikt zuur wordt geneutraliseerd door middel van een loog en een loog door middel van een zuur. Dompel de met een zuur behandelde munt even onder in een bad met bijvoorbeeld natronloog. Hierna toch weer goed spoelen, want de munt kan afhankelijk van de sterkte van het loog en de duur van de onderdompeling basisch geworden zijn. Door middel van spoelen wordt het loogrestant verwijderd. Voor het neutraliseren van zuren (zoals citroenzuur of fosforzuur) zijn onder andere natronloog en huishoudsoda te gebruiken. Dit is een beduidend zwakker loog en kan dan ook alleen gebruikt worden als de munten met een zwakzure oplossing gereinigd zijn. Voor het neutraliseren van logen (zoals bijvoorbeeld natronloog) zijn onder andere citroenzuur en natriumbisulfaat te gebruiken.
* Drogen
Het drogen van de munten moet grondig gebeuren. Mede onder invloed van vochtigheid vindt oxidevorming plaats. Wanneer munten niet goed gedroogd zijn, hebben allerlei soorten verontreiniging die in de atmosfeer voorkomen, een grotere inwerking op het oppervlak, waardoor zij veel sneller oxideren. Het drogen kan gebeuren door de munten op een van gaatjes voorziene plaat op de radiator van de verwarming te leggen, nadat zij eerst met een zachte doek ‘handdroog’ gedept zijn. Een met nylon vliegengaas bespannen raamwerkje is ook goed te gebruiken. Effectiever is het gebruik van een haarföhn. Hiermee kunnen de munten goed en snel gedroogd worden.
* Veiligheid
Wees voorzichtig bij het gebruik van chemicaliën. Let er bij het maken van de oplossingen op dat de zuren in het water gedaan worden en niet andersom (zo voorkom je spetters!). Uit het oogpunt van persoonlijke veiligheid zijn onmisbaar:
* een goed stofmasker (mondkapje.) * handschoenen. * veiligheidsbril of gelaatsscherm. * schone werkjas. Wees ook voorzichtig met ammoniakdampen. Zij zijn erg ongezond voor de luchtwegen en de longen. Verricht de werkzaamheden zoveel mogelijk in een goed geventileerde ruimte.
Milieu-eisen
Bij het schoonmaken van munten en penningen kan men niet zonder zuren en basen, maar veilige zuren en basen bestaan niet! Alle afgewerkte stoffen moeten – onder vermelding van de inhoud – gescheiden ingeleverd worden bij de (chemokar van de) gemeentereiniging.

Kijk zeker uit wat u koopt op een veiling.

U laat zich meedrijven met het bieden. En als u eenmaal het lot hebt aangekocht heeft u zeker spijt van wat u heeft gekocht. U zal altijd boven de waarde betalen. Koopjes zal u niet snel vinden. Stel u voor, op een dag zou u willen stoppen met het verzamelen en u gaat alles verkopen. U zal zich en bult verschieten van wat u slechts zal krijgen in Euro. Dus weer teleurgesteld.

Muntenbeurzen

Uiteraard zijn er wel koopjes te vinden op muntenbeurzen. Daar zitten verzamelaars die graag hun dubbele munten willen ruilen.
Daarom:
Wil ik u al deze teleurstellingen besparen en ga daarom naar een muntenbeurs ingericht door het EGMP.
Elke week is er wel een muntenbeurs in uw buurt. Alle info vindt u op www.egmp.be
Als u toch op een veiling munten wilt kopen heeft u hier alvast enkele warm aanbevolen adressen:

1) Fleurdecoin – Brugstraat 22A – 9000 Gent : http://www.fleurdecoin.be
2) Willem van Alsenoy – Oudaan 6 – 2000 Antwerpen: http://www.vanalsenoy.com/

Ik zelf, heb interesse voor de volgende munten:
* Van 14de tot 19de eeuwse munten van de stad Antwerpen, Brussel, Brugge, Doornik, .
* Munten geslagen na 1830.

Copyright ©2001 Beirnaert Rudy www.numismatic.be

No responses yet

mrt 23 2012

Munten in Hagelandse cijnsboeken uit de 16de eeuw

Geschiedenis is een boeiende materie. Het leert ons veel over ons verleden en dat heeft invloed op het heden. Of het lvert gewoon interessante informatie op, zoals over de munten uit het Hageland in de 16de eeuw. Onze bron is Hagelandia, Scherven van de geschiedenis van het Hageland.
Cijnsboeken uit het Ancien Régime zijn moeilijk toegankelijk voor lokale historici en genealogen. Niet alleen is er het moeilijk leesbare geschrift. Ook de talloze schrappingen en latere toevoegingen in een ander handschrift zijn niet bevorderlijk voor de leesbaarheid. Tenslotte zijn er de cryptische afkortingen en symbolen, waardoor men geneigd is die slordige kladboekjes -want zo komen ze over- terzijde te schuiven.
Dit is spijtig, want als men de moeite doet deze documenten te doorgronden, dan zijn cijnsboeken waardevolle bronnen voor de genealogie, de toponymie, de bezitsstructuur en de landbouwgeschiedenis.
Een cijnsboek is een lijst van cijnsplichtigen, die in ruil voor het gebruik van een stuk grond, aan een grondbezitter, een heer of een kerkelijke instelling een jaarlijkse cijns dienden te betalen. Een cijns is een bedrag in geld of een levering in natura, bv. een bepaalde hoeveelheid haver, of in veel gevallen een aantal kapuinen -gesneden hanen-.
Cijnzen uitgedrukt in geld bleven eeuwen onveranderd. Door de geldontwaarding en de stijgende prijzen werd het inkomen uit cijnzen van de heer in reële termen na verloop van tijd alsmaar lager. En omgekeerd, de last die op de cijnsplichtige boeren drukte, werd lichter. Zodanig dat de cijnzen eerder een symbool werden van de oorspronkelijke afhankelijkheidsverhouding van de cijnsplichtigen ten aanzien van de grondheer.
Ook juridisch werd de cijnsplichtige tenslotte erkend als de bijna-volledige eigenaar van zijn cijnsgoed: hij kon het verkopen en met een rente belasten, maar hij moest dit wel laten registreren in het cijnshof van de heer. Een cijnshof of laathof was een rechtbank van de cijnsplichtigen van een grondheer, waarin alle transacties betreffende de cijnsgoederen werden geattesteerd, en waarin betwistingen rond cijnsgoederen werden beslecht.
Laten we ons hier met de gebruikte munten in cijnsboeken bezighouden. Volgende voorbeelden komen uit het cijnsboek uit 1589 van de Abdij Vrouwenpark voor goederen in Langdorp:
Pieter Dielis te voeren Wouter Sijne iii d(enieren) boon
van een pleck lants, daer een huijs plach op te staene, houdende omtrent 1 1/2 dach(mael)
Anthonis Scutters te voeren Pauwel Peeters xx sch(ellingen) pay(ment)
van huijs ende hoeve
Pieter Dielis moet 3 denieren boon betalen voor 1 1/2 dagmaal gond, d.i. ongeveer een halve hectare. Anthonis Scutters is 20 schellingen payment verplicht voor een huis en hoeve. Wat betekenen die bedragen en munten? Belangrijk voor het begrijpen van het geld in het Ancien Régime is dat een gedbedrag dikwijls uit twee componenten bestaat: 1) de eenheid: ponden, schellingen en denieren -ook wel penningen genoemd- 2) de gebruikte muntsoort.
Sinds de Karolingers was het geld aldus onderverdeeld: 1 pond = 20 schellingen = 240 denieren, waarbij 1 schelling = 12 denieren. Die verhoudingen golden binnen elke muntsoort. Tot in de 13de eeuw was de denier de enige klinkende munt, die bij betalingen werd gebruikt. Schellingen en ponden waren boekhoudkundige veelvouden van de reële zilveren dienier, om grotere bedragen gemakkelijker te kunnen voorstellen.
Door de heropleving van de handel en het groeiende bestuursapparaat van de vorsten, kwam er een tekort aan geld. De vorsten begonnen dan maar het zilvergehalte van de munten te verlagen. Uit eenzelfde hoeveelheid zilver werden grotere hoeveelheden denieren geslagen, waardoor die een lager zilvergehalte hadden dan de reeds in omloop zijnde denieren.
Dit zette natuurlijk kwaad bloed bij de heren die van cijnzen en andere vaste inkomsten moesten leven. Want als een cijnsplichtige zeg maar drie denieren betaalde met gedevalueerde munstukken, die minder zilver bevatten, dan ging het inkomen van de heer in reële termen achteruit. Hertog Jan I wou aan deze situatie verhelpen. In 1291 bepaalde hij dat de cijnzen aan om het even welke grondheer in Brabant betaald moesten worden in nieuwe denieren, waarbij 3 oude denieren gelijk waren aan 4 oude denieren. 1 oude denier was dus 1,3 nieuwe denieren, of 1 nieuwe denier was 0,75 oude denieren.
Om de daaruit voortspruitende muntverwarring tegent te gaan, werden vanaf de late 13de eeuw adjectieven toegevoegd aan geldbedragen om uit te drukken of het om ‘oud’ of ‘nieuw’ geld gaat. Oud geld omschreef men bv. als bone et legalis monete. Men wil benadrukken dat het gaat om ‘oud’, ‘wettelijk’ of ‘goed’ geld. Wanneer men een contract sluit, dan willen de partijen zich beschermen tegen de gedevalueerde en bijgevolg slechte denieren. die meer en meer in de omloop belanden.
Binnen deze ontwikkeling past ons voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589: een bedrag van 3 denieren boon. ‘Boon’ is de afkorting van bona moneta, goed geld. Geld van vroeger, dat meer zilver bevatte. Vermits cijnsbedragen eeuwenlang onveranderd blijven, kunnen we concluderen dat deze vercijnzing in de late 13de of vroege 14de eeuw moet gebeurd zijn, toen men zich zorgen begon te maken over de geldontwaarding.
De slechte, gedevalueerde munten werden vanaf het einde van de 13de eeuw uitgedrukt als parve monete. Hiermee wil men de gedevalueerde denieren aanduiden. Ook spreekt men van monete, communiter currentis in Brabatia of penningen paiments, alse altoes in borse gaen sal. Het ‘payment’ wordt vanaf de 14de eeuw een nieuw rekenmuntsysteem in Brabant, naast vele andere.
Hier komt ons tweede voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589 op d proppen: Anthonis Scutters moet 20 schellingen payment betalen. De vercijnsing moet dus ergens vanaf de 14de eeuw hebben plaatsgevonden, toen het payment in Brabant gebruikt werd om bedragen uit te drukken die betaald werden in ‘lopend geld’, geld dat door muntontwaardingen steeds meer van zijn oorspronkelijke waarde verloor, in tegenstelling tot ‘goed geld’.
Als we ons beperken tot onze twee voorbeelden uit het cijnsboek van 1589, 3 denieren ‘goed geld’, en 20 schellingen payment, kunnen we dan nog achterhalen welke de waarde van die bedragen is? We zouden die oude bedragen moeten kunnen omrekenen naar geld uit die tijd, eind 16de eeuw dus. Gemakshalve maak ik gebruik van het oud cijnsboekje uit de 18de eeuw dat Jan Verbesselt heeft gevonden: Den schat der cheynsen, uitgegeven rond 1745. De auteur ging toen reeds te rade bij een oudere uitgave uit 1689, die op zijn beurt teruggreep op documenten uit de late 16de eeuw. De auteur schreef zijn boekje om tegemoet te komen aan de wensen van vele cijnsheffers, die reeds toen de diverse cijnzen en munten niet goed begrepen. Dus ook de tijdgenoten krabten zich dikwijls net als wij in hun haar bij die archaïsche geldbedragen.
Vanaf de late 16de eeuw begon men in plaats van het ponden-schellingen systeem meer en meer het gulden-stuivers rekensysteem te gebruiken. 1 gulden = 20 stuivers, en 1 stuiver = 4 oorden = 72 myten. Als ik het goed begrijp, dan is de ‘penning boon’ hetzelfde als de ‘penning lovensch’ (opgelet! toen ik dit schreef, begreep ik dit nog niet zo goed. De penning boon of penning goed geld is minder waard dan de penning lovensch, maar omdat het om zodanig kleine waarden gaat, blijft volgende redenering staande). 1 penning lovensch is volgens den schat der chyensen = 0 gulden 0 stuivers 0 oorden 15 myten, dus nog zelfs geen stuiver, die in de 16de eeuw gebruikt werd bij dagdagelijkse betalingen. Vermits 1 stuiver = 72 myten, is 1 penning lovens gelijk aan 0,2 stuiver. Het bedrag van 3 denieren boon uit het cijnsboek zou dan slechts 0,6 stuiver zijn, een heel klein bedrag dus.
20 schellingen payment uit het cijnsboek van 1589 is volgens den schat der cheynsen gelijk aan 20 myten uit de 16de eeuw, of 0 gulden 0 stuivers 0 oorden 20 myten. Of 0,27 stuiver, eveneens een zeer klein bedrag. Als we nu beide voorbeelden vergelijken, dan zien we dat Pieter Dielis in 1589 0,6 stuiver of 0,03 gulden betaalt voor anderhalf dagmaal grond, en Anthonis Scutters 0,3 stuiver of 0,015 gulden voor een huis en hoeve. Geen slechte zaak dus! Zeker als men weet dat het dagloon van een meester-metselaar 12 denieren Brabantse groten of 4 stuivers bedroeg.
Als al die ingewikkelde berekeningen juist zijn, dan staven ze mijn vorige bewering dat cijnzen in de loop der eeuwen bijna belachelijk laag zijn geworden, ja dat ze veeleer een symbolische waarde hadden gekregen, die niet meer in verhouding stond tot de reële economische waarde van een cijngoed. Eind 18de eeuw was het aandeel van de cijnzen in het inkomen van de abdij Tongerlo amper 2 %. Het gros van hun inkomen haalden de abdijen toen uit verpachtigen van pachthoven en landbouwgrond, die onderhevig waren aan de echte marktwetten. Cijnzen waren aan het eind van het Ancien Régime een archaïsch relict uit de middeleeleeuwen, die niettegenstaande de grote maatschappelijke veranderingen toch eeuwenlang in voege bleven.

Bronnen

Rijksarchief Leuven, Kerkarchief, nr. 9891, Cijnsboek van Abdij Vrouwenpark in Langdorp; 1589.
J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.
J. VERBESSELT, Oude cijnzen, munten en maten, uitgegeven door VVF (overdruk uit Eigen Schoon en de Brabander, 1955)
Bron van dit artikel: Hagelandia, Scherven van de geschiedenis van het Hageland

No responses yet

mrt 11 2012

Bij een veiling in New York is een antiek muntstuk uit Judea voor 1,1 miljoen dollar verkocht door het veilinghuis Heritage. Meteen een ode aan de geschiedenis, want deze munt was het prototype van de shekel uit het jaar 66 na Christus, één van de allereerste munten die werden geslagen aan het begin van de eerste grote joodse opstand tegen de Romeinen in de eerste eeuw.

Uniek stuk

Het gaat om een uniek stuk wat het voor verzamelaars extra aantrekkelijk maakt, want er is slechts een ander exemplaar is bekend.
De zilveren shekel uit het jaar 1, die net na het begin van de oorlog in mei 66 werd geslagen, is een ongelooflijk historische munt van het soort zoals er maar een om de eeuw gevonden wordt. Het gaat om één van de allereerste munten die door de joodse rebellen werden geslagen nadat ze de Romeinen uit Jeruzalem hadden verjaagd. De historische waarde is dan ook niet te onderschatten.

Gekocht door private verzamelaar voor recordprijs

Het stuk werd verkocht aan een private verzamelaar uit de Oostkust die er 1,105 miljoen dollar voor betaalde, vier keer meer dan het vorige recordbedrag voor een joodse munt. De munt maakt deel uit van een collectie van 2.200 antieke stukken uit Judea van een Amerikaanse verzamelaar, bekend als de Soshana-collectie. Ze zal dit jaar via verschillende veilingen te koop worden aangeboden. De waarde wordt volgens Heritage op meer dan 10 miljoen dollar geschat.

Sjekel

De sjekel (Hebreeuws: שקל, sjeqel of שקל חדש, sjeqel chadasj, nieuwe sjekel) is de Israëlische munteenheid. De sjekel is onderverdeeld in 100 agorot. In februari 2011 was 1 euro ongeveer 4,95 sjekel waard.

Bank van Israel
De Bank van Israël (Hebreeuws:בנק ישראל) is de centrale bank van Israël. De belangrijkste functies van de Bank behelzen het zorgen voor prijsstabiliteit door het instellen van de rente en het nemen van aanvullende maatregelen in het kader van het monetaire beleid, het toezicht en de regulering van het bankwezen en het beheer van de nationale deviezenreserves.
Het hoofdkantoor van de Bank is gelegen in de hoofdstad van Israël, Jeruzalem, met een bijkantoor in Tel Aviv. De huidige president is Stanley Fischer. 1 sjekel was 0,20 euro waard. Er zijn biljetten van 20, 50, 100 en 200 sjekels. De munten hebben waardes van 10, 5, 2, 1 en 1/2 sjekel en van 10 en 5 agorot.
De ISO 4217 code is ILS, maar om het verschil met de op 4 september 1985 vervangen oude sjekel duidelijk te maken wordt de sjekel soms afgekort tot NIS (New Israeli Sheqel). Op die datum vielen 3 nullen weg zodat 1000 oude sjekels overeenkomen met 1 nieuwe sjekel. De ‘oude’ sjekel werd op 24 februari 1980 ingevoerd ter vervanging van het Israëlische pond.
De sjekel komt reeds in de Bijbel voor. In bijbelse tijden moest elke Jood elk jaar een halve sjekel tempelbelasting betalen. In de Statenvertaling werd het woord sikkel gebruikt, in de Nieuwe Bijbelvertaling sjekel.
De Bank van Israël werd opgericht op 24 augustus 1954, toen de Knesset de Bank van Israëlwet aannam, op initiatief van de toenamlige minister van Financiën, Levi Eshkol. Het ministerie van Financiën droeg de regulerende functies en het monopolie op de uitgifte van bankbiljetten en muntuitgifte aan de nieuw gevormde bank af. Controle over de buitenlandse valuta werd pas aan de bank in 1978 overgedragen. De Bank werd volledig onafhankelijk in 1985 en sinds 1992, beheert de Bank haar monetaire beleid om zo te voldoen aan de inflatiedoelstelling van de Israëlische regering – te weten een prijsstabiliteit met een inflatiepercentage tussen de één en drie procent per jaar. Daarnaast beheert de Bank de deviezenreserves.
In 2010 werd de Bank van Israël door het Zwiterse International Institute for Management Development onder meer een eerste plaats toebedeeld op de lijst van meest efficiënte centrale banken ter wereld in de strijd tegen de economische crisis.

Info over de sjekel en Bank van Israël: www.wikipedia.be

No responses yet

mrt 08 2012

Muntenlexicon A-B-C

De Cypriotische euromunten

Op de website van Sir Rowland Hill vonden we een interessant muntenlexicon dat de verzamelaar zeker zal bekoren. Vandaag beginnen we met de letters A, B en C.

A – Stempelhuis “Berlijn”
Is een munt van de Bondsrepubliek Duitsland van de “Rijksmunt Berlijn” geslagen, zo heeft deze een “A” op de kopzijde. De “Staatliche Münze Berlin” is een van totaal 5 muntstempelhuizen in Duitsland.

________________________________________

Afscheidsuitgifte
Een afscheidsuitgifte is de laatste zegeluitgifte van een zegelland. Ook afscheidscollectie genoemd.
________________________________________

Afstempeling
Afdruk van een poststempel op het waardeteken als teken van de overname als postzending. Deze is van belang voor een correcte afhandeling en bevordering van de zending door de post.
________________________________________

Ag – Chemische afkorting
Ag is de chemische afkorting voor zilver (lat. argentum). In de numismatiek vaak bij uitgiften als aangifte over het zilvergehalte gebruikt bijv.: Ag 900/999
________________________________________

Aktie / Waardepapier
Zo wordt een aandeel van een aandeelhouder aan het grondkapitaal van een vennootschap op aandelen genoemd. De historie van de aktie/waardepapier gaat terug tot in de 17de eeuw als een Nederlandse company in Oost-Indië de eerste vorm van een aandeelhouderschap invoerde.

________________________________________

Ambtelijke munten en postzegels
Zo worden de munten en postzegels genoemd, die door een ambtelijke of hiervoor geautoriseerde agentschap geproduceerd worden.
________________________________________

Au – Chemische afkorting voor goud
Au is de chemische afkorting voor goud (lat. aurum). In de numismatiek wordt dit vaak bij de aangave van het goudgehalte gebruikt bijv.: Au 900/999

Bankbiljetten, de eerste
Het papiergeld ontwikkelde zich uit de wissel: in het begin was het een vervanging voor het gespaarde metaalgeld. In de 19de eeuw werden de dekkingsvoorwaarden eenvoudiger. Door de inbreuk van de goudvaluta na de 1ste wereldoorlog werd de verbinding tussen het papiergeld en het goud opgeheven.
________________________________________

Belgische Euromunten
Op iedere van de acht Belgische ¤uromunten is het naar links kijkende hoofd van koning Albert II getoont. Op de buitenring zijn de Europasterren te zien. In de binnenkant is sinds 2007 naast het hoofd van de monarch, ook zijn monogram te zien, een grote A, zoals daar boven een kroon en eronder de letters “BE”.

In 2008 werden in Belgie de euromunten nieuw disgned. Op de kopzijde werd koning Albert II “aan zijn leeftijd aangepast”. Bovendien werd het koninklijke monogram, zoals het nationale teken “BE” direct rechts naast het hoofd van Albert II geplaatst.

Circulatie
Circulatiemunten zijn van dezelfde kwaliteit als de Uncirculated. Alleen, zoals de naam als zegt, zijn deze wel in circulatie gebracht. Er zullen dus door gebruik in het dagelijkse betalingsverkeer meer beschadigingen op de munten zitten.
________________________________________

Commonwealth
De verzamelaar komt in de literatuurvaak het begrip commonwealth (gemenebest, volksgemeenschap) tegen, waarmeedan steeds het Britisch Commonwealth of Nations, het Britse Gemenebestwordt bedoeld. Tot de commonwealth landen, die als verzamelgebied zeerpopulair zijn, maar ook, alle tesamen gerekend behoorlijk kostbaar, horenbuiten Groot-Brittannië nog 30 andere landen o.a. Australië,India, Canada, Nigeria, Oeganda,Cyprus.
________________________________________

Cypriotische euromunten
De 2 en 1 euromunt tont het idool van Pomos, een 5000 jaar oude prehistorische figuur, wat de cultuur van Cyprus symboliseerd. De 50, 20 en 10 cent-munten tonen het antieke schip van Kyrenia, wat voor de zee staat. Op de 5, 2 en 1 cent-munten is een Mufflon, een Cypriotisch wild schaap, afgebeeld, wat staat voor de natuur.

Bron: www.srh-ltd.com

No responses yet

mrt 03 2012

Zilveren munten gevonden bij Gramsbergen

Op Youtube zijn heel wat interessante filmpjes te vinden. Zo vonden we eentje over een amateur die een reeks zilveren munten vond..

Amateurarcheoloog vindt 35 zilveren munten

Amateurarcheoloog Jan Godeke heeft met een metaaldetector in een akker aan de rand van de Vecht vijfendertig zilveren munten uit de dertiende eeuw opgegraven.
Beste en leuke vondst en bijna een schat, vinden we.

Zilveren munten geslagen in opdracht van bisschop van Utrecht

Ze hebben een doorsnede van elf à twaalf millimeter en zijn een millimeter dik. Volgens deskundige Arie van Herwijnen uit Tiel, die ze heeft gedetermineerd, zijn de munten geslagen in opdracht van de Utrechtse bisschop Willebrand van Oldenburg, keizer Frederik II en graaf Gerhard van Gelre.

Waardevolle munten?

Over de waarde in euro’s doen vinder en onderzoeker geen uitspraken. Hoewel hij er geen wetenschappelijke bewijzen voor heeft, denkt Godeke dat zijn vondst te maken heeft met de veldslag van Ane die in 1227 werd geleverd tussen opstandige Drentse boeren en de legers van de Utrechtse bisschop Otto. Hij heeft de vondst een half jaar stil gehouden.

Precieze vindplaats van munten niet bekend

Over de precieze plaats waar de munten uit de grond, op een akker in de nabijheid van de Vecht bij Gramsbergen, hult Jan Godeke zich in stilzwijgen. “De grondeigenaar wil niet dat allerlei gelukszoekers zijn land op de kop komen zetten.”

Reacties

Een mooi vondst Jan, gefeliciteerd man!
MrKetelbinky
Als het allemaal gouden munten was geweest, had hij ‘t ook weggegeven aan het museum? =
hansschilder

Zie het filmpje op http://www.youtube.com/watch?v=wTeTKkLX5Z0

No responses yet

dec 28 2011

De gouden en zilveren munt van Rubens

Pieter Paul Rubens is een van de grootste Vlaamse schilders. Niet te verwonderen dat er in het Rubensfeestjaar 1977 (de 400ste verjaardag van zijn geboorte) een munt van hem verscheen.

Gouden en zilveren munt

De gouden Rubens werd in een gouden en zilveren versie uitgegeven in 1977 ter herdenking van de 400e verjaardag van de geboorte van Pieter Paul Rubens. Het goudstuk is 21 mm groot, weegt 6,45 g (waarvan 5,805 g zuiver goud of te wel 90%) en werd geslagen in medailleslag.

Schilder-diplomaat

Peter Paul Rubens (Siegen (Duitsland), 28 juni 1577 – Antwerpen, 30 mei 1640) was een Vlaamse barokschilder, tekenaar en diplomaat, werkzaam in Antwerpen. Hij wordt ook wel Pieter Paul, Pieter Pauwel of Petrus Paulus genoemd.

Biografie

Rubens’ vader (Jan Rubens) was een geleerd, ontwikkeld man. Zijn moeder (Maria Pypelinckx) moet jarenlang de gezinszorg alleen dragen na het vreemdgaan van haar man, begaan met Anna van Saksen waarvoor hij in Duitsland gevangen wordt genomen en later verbannen.
Rubens krijgt een humanistische opvoeding in Keulen, daarna in Antwerpen. Na een artistieke opleiding bij Tobias Verhaecht (vader van Willem van Haecht), Adam Van Noort en Otto van Veen (Otto Venius) wordt hij in de Antwerpse gilde opgenomen als meester. Behalve een in 1597 gedateerd classicistisch portret, dat zich te New York bevindt, kent men alleen onzekere toeschrijvingen van jeugdwerk van voor 1600.
Op 9 mei 1600 vertrekt hij naar Italië, waar hij beïnvloed wordt door de kunst van de Oudheid. In Venetië treedt hij, op uitnodiging van een Mantuaans edelman, in dienst van de hertog van Mantua, Vincenzo I Gonzaga tot 1608. In deze periode leert hij veel van de werken van de kunstschilder Caravaggio. In 1601 reist hij naar Florence en Rome. Hij maakt er kennis met de Griekse en Romeinse kunst en kopieert er werken van de Italiaanse meesters. In Rome schildert hij zijn eerste altaarstuk voor het Santa Helena altaar in de kerk van het Heilig Kruis.
Van 1603 tot 1604 verblijft hij in Spanje. Hij gaat er op diplomatieke missie in opdracht van de hertog van Mantua. Hij levert verschillende geschenken aan het hof van koning Filips III. Hij beleeft er de confrontatie van de Spaanse kunst met de Venetiaanse werken van Titiaan in Madrid. In opdracht van de Hertog van Lerma schildert hij de 13-delige reeks der Apostelen en een Christus figuur, alsook een schilderij van zijn opdrachtgever gezeten op zijn paard.
Vanaf oktober 1608 gaat hij terug naar de Nederlanden en wordt hij benoemd als hofschilder van de aartshertogen Albrecht van Oostenrijk en Isabella van Spanje, in 1609. Hij blijft in Antwerpen wonen en trouwt er, op 3 oktober van datzelfde jaar, met Isabella Brant. In 1611 wordt zijn eerste dochter geboren, Clara Serena, die jong overlijdt in 1623. In 1614 wordt zijn zoon Albert geboren.
Als gevolg van het Twaalfjarig Bestand in de Nederlanden tijdens de periode 1609-1621, stijgt de welvaart in Antwerpen, waardoor Rubens snel verschillende opdrachten krijgt. In 1610 richt hij het grote pand aan de Wapper, dat nu nog altijd het Rubenshuis heet, in als atelier met een aantal knapen en leerjongens. De meester zelf schilderde vaak bij portretten alleen het gezicht en de handen; de rest was na een grove schets voor de knapen, zo kon de meester aan het hoog tempo vele opdrachten aanvaarden. Afbeeldingen van dieren liet hij over aan Frans Snyders die in Rubens’ atelier werkte, maar ook op zelfstandige basis opdrachten mocht aanvaarden. De productiviteit van de meester is verbazingwekkend. Rubens schilderde tussen 1621 en 1625 24 schilderijen voor het Palais du Luxembourg, zijn grootste opdracht ooit, die de levensloop van koningin Maria de’ Medici historisch-allegorisch uitbeelden.
Intussen was, in 1626, zijn vrouw Isabella Brant overleden. Rubens geniet het volste vertrouwen van de landvoogdes Isabella en krijgt meerdere diplomatieke opdrachten en missies te verwerken. Aldus komt hij weer in Spanje en Engeland terecht. De werken van Titiaan en de bewondering van de Hertog van Buckingham stimuleren de kunstenaar.
Hij is 53 jaar als hij, terug uit Engeland, in 1630 hertrouwt met de 16-jarige Hélène Fourment. Zijn nieuw aangekochte landgoed Het Steen te Elewijt en het gelukkige gezinsleven op het platteland begunstigen zijn kunst als paysagist. In 1632 wordt zijn dochter Clara Johanna geboren. In 1633 zijn zoon Frans. In 1635 krijgt hij nog een dochter Isabella Helena. In 1636 krijgt hij een zoon Peter Paul.
Lijdend aan jicht sterft hij, in het Rubenshuis te Antwerpen, op 30 mei 1640. Hij ligt begraven in de Sint-Jacobskerk te Antwerpen. Boven zijn graf prijkt een beeld van Maria van de hand van zijn leerling Lucas Faydherbe (Faydherbe), Mechels beeldhouwer en architect en gedurende de laatste drie jaren van Rubens leven woonachtig en werkzaam in Rubens’ atelier aan de Wapper, waar hij uitgroeide tot zijn vertrouweling.

Schilderstijl

De stijl van Rubens behoort tot de Antwerpse School uit de vroege 17e eeuw. Rubens’ oeuvre wordt gekenmerkt door de triomfalistische contrareformatorische barok. Rubens is waarschijnlijk de belangrijkste vertegenwoordiger van de Vlaamse barok, alhoewel hij duidelijk een Italiaanse invloed onderging.[bron?] Sommige van zijn portretten hebben trekjes van het absolutisme, maar veel ex-voto’s blijven toch trouw aan hun Vlaamse aard.
Rubens genoot een goede opleiding bij zijn leermeester en kende de knepen van het vak. Alles werd tot in detail voorbereid, veel studies en tekeningen getuigen hiervan. Uit de gedetailleerde schetsen die nog bewaard zijn gebleven kan worden geconcludeerd dat schilderijen in fasen werden afgewerkt.

Bron: www.wikipedia.be

No responses yet

dec 18 2011

Vooraanstaand muntenland Spanje

Spanje is als koloniale mogendheid steeds een vooraanstaand land op het vlak van munten geweest. Dit voormalig wereldrijk had dan ook de beschikking over onmetelijke voorraden goud en zilver uit Zuid-Amerika.

Spaanse real

De real was een betaalmiddel in Spanje, haar koloniën en de Verenigde Staten gedurende enkele eeuwen. Het was de eerste echte sterke munt uit onze tijden.

Vroege historie

De real werd voor het eerst geïntroduceerd door koning Pedro I en had een waarde van 3 maravedís. De waarde steeg tot in 1497 de wisselkoers werd gezet op 34 maravedís.
Maravedí was de naam van verschillende gouden en zilveren munten die tussen de 11e en de 14e eeuw op het Iberisch Schiereiland in omloop waren. Het was ook de naam voor verschillende rekenmunten tussen de 11e en de 19e eeuw.
Het woord maravedí stamt af van de marabet of marabotin, een variant van de gouden dinar die in Spanje werd geslagen en die genoemd is naar de Moorse Almoraviden (in het Arabisch المرابطون al-Murābitũn, enkelvoud . مرابط Murābit). Van het Spaanse woord maravedí zijn drie meervoudsvormen bekend maravedís, maravedíes and maravedises. Volgens de Diccionario Panhispánico van de Real Academia Española is de eerste vorm het meest eenvoudig, de tweede is een vorm die gewoonlijk wordt gebruikt voor enkelvoudsvormen met een klemtoon op de i, en de derde is de meest ongebruikelijke en minst aanbevolen vorm.

Geschiedenis

De gouden dinar werd in Spanje voor het eerst geslagen onder Abd-ar-Rahman III, Emir van Córdoba (912-961). In de loop van de 11e eeuw werd de dinar in Europa bekend onder de naam morabit of morabotin. In de 12e eeuw kopieerden de Christelijke koningen Ferdinand II van León (1157-1188) en Alfons VIII van Castilië (1158-1214) de munt. De marabotin of maravedí van Alfons had inscripties in het Arabisch, maar op de onderkant stonden de letters ALF. De gouden maravedí van Ferdinand woog ongeveer 3.8 gram.
In Castilië werd de maravedí de oro de rekenmunt [1] voor goud, samen met de solidus , de dinero voor zilver en de vellón voor biljoengoud, een legering van edelmetaal en onedel metaal.
Het aandeel goud in de munt daalde tot een gram tijdens de regering van Johan I van Aragón (1213-1276) en bleef dalen, totdat het uiteindelijk onder Alfons X van Castilië een zilveren munt werd. Nu werd het woord maravedí gebruikt voor één specifieke munt, maar ook als uitdrukking voor geld in het algemeen en voor elke munt. Bij het interpreteren teksten uit de 13e eeuw kan dit soms tot verwarring leiden.
Zo liet bijvoorbeeld Alfons X drie soorten munten van biljoengoud slaan en deze werden alle drie maravedí genoemd. Zijn zilveren munt van 1258-1271 werd ook maravedí genoemd, de maravedí de plata. Deze munt woog 6.00 gram en bevatte 3.67 gram fijn zilver. Ze was 30 dineros waard. De gangbare rekenmunt was destijds de maravedí van 15 sueldos, of 180 dineros. 1 administratieve maravedí was dus 6 maravedí-munten waard.
De zilveren administratieve maravedí vertegenwoordigde als rekenmunt in 1258 een waarde van 22 gram zilver, in 1271 was dit nog maar 11 gram, in 1286 slechts 3 gram en in 1303 1,91 gram. De gouden maravedí verdween als administratieve eenheid rond 1300. De maravedí de plata, de zilveren maravedí werd steeds meer gebruikt als rekenmunt voor grote bedragen, voor goud en voor de muntprijs van zilver. Uiteindelijk verving de maravedí de sueldo als de belangrijkste rekenmunt. Alfons XI (1312-1350) liet geen enkele maravedí slaan en onder zijn regime werd de term alleen gebruikt als rekenmunt.
In de 15e eeuw bestond er veel verwarring rond het monetaire systeem in Castilië. Deze verwarring kwam tot een hoogtepunt onder Hendrik IV van Castilië (1454-1474). Uiteindelijk werd het monetaire systeem hervormd onder het katholieke koningspaar Ferdinand II van Aragón en Isabel I van Castilië via het Decreet van Medina del Campo afgekondigd op 2 juni 1497.
De hervorming werd doorgezet door Karel V, die de ducado verving door de escudo als standard gouden munt. De maravedi werd de kleinste Spaanse rekenmunt, 1/34 deel van een reaal. De maravedi bleef in Spanje in gebruik als rekenmunt tot 1847. Na de ontdekking van Amerika werden er koperen maravedís geslagen die dienden als munt op het eiland Hispaniola en als de eerste munten van de Nieuwe Wereld beschouwd kunnen worden. Oorspronkelijk werd deze maravedí geslagen in Spanje, later lokaal op Hispaniola, voordat de muntfabrieken in Mexico en Santa Domingo werden opgericht.

No responses yet

dec 03 2011

De schat aan medailles van de Koninklijke Bibliotheek van België

Belgica is de digitale bibliotheek van de Koninklijke Bibliotheek van België. Ze biedt toegang tot verschillende categorieën van erfgoeddocumenten:

• handschriften, gedrukte werken, kaarten, muziekpartituren, geluidsopnames,
• verzamelingen van munten, penningen, tekeningen en prenten.

Belgica is ook:
• een referentiebibliotheek gericht op Belgicana,
• een zoekmotor met duizenden kranten pagina’s,
• virtuele tentoonstellingen.

Belgica stelt twee manieren voor het raadplegen van documenten voor:
• via verzamelingen (voorstellen van alle documenten die deel uitmaken van een verzameling zonder voorafgaande opzoeking)
• via zoek resultaten (voorstelling van de resultaten van een opzoeking met een specifieke zoekterm).

Doelstellingen

Belgica biedt gratis en permanent toegang tot het elektronische erfgoed van de Koninklijke Bibliotheek van België en tot documenten die werden gedigitaliseerd door andere instellingen naar wier websites ze verwijst. Belgica richt zich zowel tot vorsers als tot liefhebbers en nieuwsgierigen die nieuwe kennis willen vergaren en biedt wetenschappelijk betrouwbare informatie aan.
Belgica verrijkt de werkinstrumenten die ter beschikking staan van het gebruikelijke publiek van de Koninklijke Bibliotheek en laat toe een nieuw publiek te bereiken door contact te leggen met al wie niet ter plaatse kan komen wegens de geografische afstand of een beperkte mobiliteit.
Tot slot draagt Belgica bij tot de bewaring van de verzamelingen van de Koninklijke Bibliotheek van België, door de terbeschikkingstelling van elektronische kopieën te verkiezen boven de raadpleging van originele stukken.

Franse medaille van Andrieu en Brenet (1813)

Deze medaille werd in 1813 geslagen en bevat op de voorzijde het portret van Napoleon in Romeinse stijl (met laurierkroon) en op de keerzijde de allegorische voorstelling van een nimf die de voltooiing van de werken aan het kanaal tussen Bergen en Condé voorstelt (gezeten op een boot en met in de handen een hoorn des overvloeds).

Tekst: Johan van Heesch

Voorzijde: legende: Napoléon emp. et roi. Andrieu F.; beschrijving: Gelauwerd hoofd van Napoleon naar rechts
Keerzijde: legende: Canal de Mons à Condé. Le commerce du département de Jemmape mdcccxiii / Brenet F.; beschrijving: De allegorie van de welvaart in een bootje, op de achtergrond een kerktoren.
Ag. – 38,26g – 40,45mm – geslagen

Voor meer informatie
• A.J. Millin, Histoire métallique de Napoléon ; ou, recueil des médailles et des monnaies, qui ont été frappées depuis la première campagne de l’armée d’Italie jusqu’à son abdication en 1815, London, 1819, p. 37, 94, pl. LII.

No responses yet

nov 09 2011

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 3

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 3
1945-2002: hoogdagen en verdwijning van de Belgische frank

In deel 3 van deze verhelderende gids belicht de Nationale Bank van België de geschiedenis van de Belgische munten en biljetten in de periode 1945-2002 tot de invoering van de euro die de Belgische frank definitief zou vervangen.

In 1948 wordt beslist de oude vooroorlogse muntstukken te vervangen door koper-nikkelen en zilveren stukken, de laatste die in omloop zullen komen. Behalve op het stuk van 100 fr. ontbreekt elke verwijzing naar het koningshuis: het land wordt geleid door de Regent en koning Leopold III staat ter discussie.
In 1944 treedt België toe tot de nieuwe internationale monetaire orde, waarvan de regels worden vastgelegd tijdens de conferentie van Bretton Woods. Tijdens deze conferentie wordt onder meer het Internationaal Monetair Fonds opgericht. De Belgische frank wordt — via zijn pariteit ten opzichte van het goud en de VS-dollar — ingeschakeld in het stelsel van de goudwisselstandaard, een wereldwijd systeem van vaste wisselkoersen. Tot eind jaren 60, wanneer de wereldwijde overvloed aan VS-dollars heftige spanningen op de valutamarkten veroorzaakt, zorgt het stelsel van Bretton Woods voor betrekkelijk stabiele wisselkoersen. In augustus 1971 schorten de Verenigde Staten de converteerbaarheid van de dollar tegen goud op. Het volgende jaar voert Europa een systeem in voor het toezicht op en de regulering van de wisselkoersen, de Europese muntslang, die in 1979 zal uitgroeien tot het Europees monetair stelsel.
Net als in een groot deel van de geïndustrialiseerde wereld, zijn de jaren 60 in België een periode van snelle economische en sociale vooruitgang. Tussen 1961 en 1973 verdubbelt de koopkracht van de loontrekkenden. In 1960 is er een auto per 13 inwoners. In 1966 wordt dat een per 6,7 inwoners en in 1973 een per 4,8. De staat investeert zwaar en neemt de stijgende kosten van de sociale zekerheid op zich. Het land creëert een van ’s werelds dichtste wegennetten. Maar net als de meeste geïndustrialiseerde economieën wordt België zwaar getroffen door de oliecrisis van 1973. Die vormt het begin van een periode van grote onzekerheid, onder meer door een forse stijging van de werkloosheid en de toename van de Belgische overheidsschuld. Na de devaluatie van 1982 en het daarmee gepaard gaande herstelbeleid, vindt de Belgische frank echter geleidelijk aansluiting bij de stevigste valuta’s van de EU. Dat wordt bevestigd door de in 1990 genomen beslissing om de frank vast te koppelen aan de Duitse mark. Het volgende jaar legt de Europese Unie tijdens de top van Maastricht de voorwaarden vast om toe te treden tot de monetaire unie. België zal er een erezaak van maken deze voorwaarden na te leven.
Vanaf het begin van de jaren 60 maken de allegorische taferelen op de biljetten van de Nationale Bank plaats voor belangrijke figuren uit het “nationale” verleden: de 40 laatste jaren van de Belgische frank vormen een briljante portrettengalerij. De laatste reeks nationale biljetten, uitgegeven vanaf 1994, ligt nog vers in het geheugen. Ze is een eerbetoon aan beroemde kunstenaars uit de 19e en 20e eeuw als Sax, uitvinder van de saxofoon, de architect Victor Horta of de schilder René Magritte.
De tijdens het regentschap ontworpen munten zijn erg lang in omloop geweest. Ze worden pas op het einde van de jaren 80 vervangen. De Koninklijke munt heeft eveneens herdenkingsmunten geslagen, waaronder munten in ecu, de eerste denominatie van de eenheidsmunt. Hoewel sommige van die munten wettelijke betaalkracht krijgen, zullen ze nooit in de gewone circulatie terechtkomen. Pas in het derde millennium zouden de munten en biljetten van de Europese eenheidsmunt, met de nieuwe naam euro, daadwerkelijk worden ingevoerd. Maar dat is een ander verhaal…

Bron: www.nbb.be/

No responses yet

nov 09 2011

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 2

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 2
1914-1944: oorlogen en monetaire schokken

In deel 2 van deze verhelderende gids belicht de Nationale Bank van België de geschiedenis van de Belgische munten en biljetten in de periode 1914-1944.
Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog wordt de inwisselbaarheid van de bankbiljetten opgeheven.
Terwijl het publiek het metaalgeld oppot, drukt de Nationale Bank inderhaast een reeks zogenaamde “Rekeningen-courant”, met zelfs kleine coupures van 1 en 2 frank. Voor het eerst worden koninklijke portretten als afbeelding gebruikt. Om de Nationale Bank te straffen omdat ze haar biljetten- en goudvoorraden naar Londen heeft overgebracht, ontneemt de bezetter haar het emissievoorrecht en vertrouwt het toe aan de Société Générale. Uit deze periode dateren de biljetten met de naam van die onderneming. Om iets te doen aan de problemen met betrekking tot de geldomloop, beslissen meer dan 800 gemeenten om “noodmunten” uit te geven. Ook de Duitse mark krijgt de status van wettig betaalmiddel en overspoelt de Belgische economie. In afwachting van de Duitse oorlogsschadevergoeding, die uiteindelijk slechts gedeeltelijk zal worden gehonoreerd, worden deze marken na de oorlog tegen een gunstig tarief geruild tegen Belgische franken. Tussen 1914 en 1918 verdubbelt de geldomloop, terwijl de economie vastloopt: de inflatie wakkert aan.
In 1926 wordt de belga ingevoerd. De bedoeling van deze nieuwe rekeneenheid is de Belgische frank te onderscheiden van de Franse frank en de inwisselbaarheid van onze afbrokkelende munt te verbeteren. Die stabiliseert zich echter op slechts een zevende van zijn vroegere pariteit.
Al deze ontwikkelingen komen op een of andere manier tot uiting in de munten en biljetten van die periode. Net na de oorlog worden voor het eerst stukken van 1 frank in niet-edel metaal (nikkel) geslagen, met de vermelding “goed voor”, om hun intermediaire functie te benadrukken. De munten en biljetten van de periode 1926-1944 dragen de vermelding “belga”, zij het nooit alleen, maar altijd in combinatie met “frank”. Onmiddellijk na de oorlog beslist de Nationale Bank in een patriottische reflex voor het eerst een regerend staatshoofd, koning Albert I – en zijn echtgenote – af te beelden op de Belgische bankbiljetten van de “nationale reeks”. Als gevolg van de aanhoudende inflatie wordt in 1929 een biljet van 10 000 frank – 2 000 belga in omloop gebracht, de hoogste waarde ooit op een Belgisch bankbiljet.
In 1921 sluiten België en Luxemburg een verdrag voor een economische unie, met de bedoeling de omloop van Belgische biljetten in Luxemburg te vergemakkelijken. Pas in 1935 echter worden de Belgische bankbiljetten wettig betaalmiddel in Luxemburg. Datzelfde jaar verliest onze munt 28% van haar waarde als gevolg van een nieuwe devaluatie, de derde sinds de oorlog. Om die reden wordt de in 1935 uitgegeven zilveren herdenkingsmunt in omloop gebracht met een nominale waarde van 50 frank, en niet 40, zoals oorspronkelijk de bedoeling was en zoals op een klein aantal exemplaren staat aangegeven.
Het laatste vooroorlogse biljet wordt uitgegeven in 1933: het toont de portretten van koning Albert I en koningin Elisabeth, maar ook een symbolische afbeelding van de Maas, de Schelde en het Albertkanaal. Het graven van dit kanaal droeg bij tot de bestrijding van de buitensporige werkloosheid.
De tweede wereldoorlog brengt opnieuw rampspoed over het land. Vanaf 1942 verslechtert de situatie voor de man in de straat. De lonen worden bevroren en de prijzen schieten omhoog, met recordhoogtes tot 650% op de zwarte markt. Tussen 1940 en 1944 verdrievoudigt de geldhoeveelheid; de economie is verwoest. Vanaf juni 1940 verplicht de bezetter het gebruik van de Duitse munt, naast de Belgische frank. Vanaf 1941 worden de muntstukken in omloop, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog, vervangen door oorlogsmunten in zink.
De Nationale Bank brengt haar biljetten en reserves naar het buitenland, en de directie van de Bank wijkt uit naar Engeland. Net als tijdens de Eerste Wereldoorlog stelt de Duitse overheid als vergeldingsmaatregel een nieuwe emittent aan, de zogenaamde Emissiebank te Brussel. De biljetten die de Nationale Bank voor rekening van die laatste instelling moet drukken zullen nooit in omloop worden gebracht.
Ondertussen bereidt de Belgische regering in ballingschap – die ten dele werd gefinancierd met het goud van de Nationale Bank en door Churchill was erkend – het naoorlogse België voor. Camille Gutt, de minister van Financiën, is vastbesloten te vermijden dat België opnieuw in een inflatoire spiraal zou terechtkomen, zoals na de Eerste Wereldoorlog. Onmiddellijk na de bevrijding van Brussel in oktober 1944 zet hij een grootscheepse operatie op het getouw om de bestaande biljetten uit omloop te nemen en ze tot een bepaald plafond om te wisselen: de Gutt-operatie. Met dat doel drukte de Engelse firma Bradbury biljetten van 1 000, 500 en 100 frank, een kleinere versie van het vooroorlogse biljet van Emile Vloors. Bij De La Rue worden biljetten van 10 en 5 frank gedrukt met een eenvoudige guillochetekening. Die worden vooral door de geallieerden gebruikt als betaalmiddel bij de bevrijding. De ruiloperatie zorgt voor lange wachtrijen bij de Nationale Bank, maar na afloop is nog slechts 57 miljard frank in omloop, tegen 165 miljard bij het begin. De weg naar de wederopbouw ligt open.

Bron: www.nbb.be/

No responses yet

Next »