Munten in Hagelandse cijnsboeken uit de 16de eeuw

Geschiedenis is een boeiende materie. Het leert ons veel over ons verleden en dat heeft invloed op het heden. Of het lvert gewoon interessante informatie op, zoals over de munten uit het Hageland in de 16de eeuw. Onze bron is Hagelandia, Scherven van de geschiedenis van het Hageland.

Cijnsboeken uit het Ancien Régime zijn moeilijk toegankelijk voor lokale historici en genealogen. Niet alleen is er het moeilijk leesbare geschrift. Ook de talloze schrappingen en latere toevoegingen in een ander handschrift zijn niet bevorderlijk voor de leesbaarheid. Tenslotte zijn er de cryptische afkortingen en symbolen, waardoor men geneigd is die slordige kladboekjes -want zo komen ze over- terzijde te schuiven.

Dit is spijtig, want als men de moeite doet deze documenten te doorgronden, dan zijn cijnsboeken waardevolle bronnen voor de genealogie, de toponymie, de bezitsstructuur en de landbouwgeschiedenis.
Een cijnsboek is een lijst van cijnsplichtigen, die in ruil voor het gebruik van een stuk grond, aan een grondbezitter, een heer of een kerkelijke instelling een jaarlijkse cijns dienden te betalen. Een cijns is een bedrag in geld of een levering in natura, bv. een bepaalde hoeveelheid haver, of in veel gevallen een aantal kapuinen -gesneden hanen-.
Cijnzen uitgedrukt in geld bleven eeuwen onveranderd. Door de geldontwaarding en de stijgende prijzen werd het inkomen uit cijnzen van de heer in reële termen na verloop van tijd alsmaar lager. En omgekeerd, de last die op de cijnsplichtige boeren drukte, werd lichter. Zodanig dat de cijnzen eerder een symbool werden van de oorspronkelijke afhankelijkheidsverhouding van de cijnsplichtigen ten aanzien van de grondheer.

Ook juridisch werd de cijnsplichtige tenslotte erkend als de bijna-volledige eigenaar van zijn cijnsgoed: hij kon het verkopen en met een rente belasten, maar hij moest dit wel laten registreren in het cijnshof van de heer. Een cijnshof of laathof was een rechtbank van de cijnsplichtigen van een grondheer, waarin alle transacties betreffende de cijnsgoederen werden geattesteerd, en waarin betwistingen rond cijnsgoederen werden beslecht.

Laten we ons hier met de gebruikte munten in cijnsboeken bezighouden. Volgende voorbeelden komen uit het cijnsboek uit 1589 van de Abdij Vrouwenpark voor goederen in Langdorp:

Pieter Dielis te voeren Wouter Sijne iii d(enieren) boon
van een pleck lants, daer een huijs plach op te staene, houdende omtrent 1 1/2 dach(mael)
Anthonis Scutters te voeren Pauwel Peeters xx sch(ellingen) pay(ment)
van huijs ende hoeve

Pieter Dielis moet 3 denieren boon betalen voor 1 1/2 dagmaal gond, d.i. ongeveer een halve hectare. Anthonis Scutters is 20 schellingen payment verplicht voor een huis en hoeve. Wat betekenen die bedragen en munten? Belangrijk voor het begrijpen van het geld in het Ancien Régime is dat een gedbedrag dikwijls uit twee componenten bestaat: 1) de eenheid: ponden, schellingen en denieren -ook wel penningen genoemd- 2) de gebruikte muntsoort.

Sinds de Karolingers was het geld aldus onderverdeeld: 1 pond = 20 schellingen = 240 denieren, waarbij 1 schelling = 12 denieren. Die verhoudingen golden binnen elke muntsoort. Tot in de 13de eeuw was de denier de enige klinkende munt, die bij betalingen werd gebruikt. Schellingen en ponden waren boekhoudkundige veelvouden van de reële zilveren dienier, om grotere bedragen gemakkelijker te kunnen voorstellen.

Door de heropleving van de handel en het groeiende bestuursapparaat van de vorsten, kwam er een tekort aan geld. De vorsten begonnen dan maar het zilvergehalte van de munten te verlagen. Uit eenzelfde hoeveelheid zilver werden grotere hoeveelheden denieren geslagen, waardoor die een lager zilvergehalte hadden dan de reeds in omloop zijnde denieren.
Dit zette natuurlijk kwaad bloed bij de heren die van cijnzen en andere vaste inkomsten moesten leven. Want als een cijnsplichtige zeg maar drie denieren betaalde met gedevalueerde munstukken, die minder zilver bevatten, dan ging het inkomen van de heer in reële termen achteruit. Hertog Jan I wou aan deze situatie verhelpen. In 1291 bepaalde hij dat de cijnzen aan om het even welke grondheer in Brabant betaald moesten worden in nieuwe denieren, waarbij 3 oude denieren gelijk waren aan 4 oude denieren. 1 oude denier was dus 1,3 nieuwe denieren, of 1 nieuwe denier was 0,75 oude denieren.

Om de daaruit voortspruitende muntverwarring tegent te gaan, werden vanaf de late 13de eeuw adjectieven toegevoegd aan geldbedragen om uit te drukken of het om ‘oud’ of ‘nieuw’ geld gaat. Oud geld omschreef men bv. als bone et legalis monete. Men wil benadrukken dat het gaat om ‘oud’, ‘wettelijk’ of ‘goed’ geld. Wanneer men een contract sluit, dan willen de partijen zich beschermen tegen de gedevalueerde en bijgevolg slechte denieren. die meer en meer in de omloop belanden.
Binnen deze ontwikkeling past ons voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589: een bedrag van 3 denieren boon. ‘Boon’ is de afkorting van bona moneta, goed geld. Geld van vroeger, dat meer zilver bevatte. Vermits cijnsbedragen eeuwenlang onveranderd blijven, kunnen we concluderen dat deze vercijnzing in de late 13de of vroege 14de eeuw moet gebeurd zijn, toen men zich zorgen begon te maken over de geldontwaarding.

De slechte, gedevalueerde munten werden vanaf het einde van de 13de eeuw uitgedrukt als parve monete. Hiermee wil men de gedevalueerde denieren aanduiden. Ook spreekt men van monete, communiter currentis in Brabatia of penningen paiments, alse altoes in borse gaen sal. Het ‘payment’ wordt vanaf de 14de eeuw een nieuw rekenmuntsysteem in Brabant, naast vele andere.
Hier komt ons tweede voorbeeld uit het cijnsboek van de Abdij Vrouwenpark uit 1589 op d proppen: Anthonis Scutters moet 20 schellingen payment betalen. De vercijnsing moet dus ergens vanaf de 14de eeuw hebben plaatsgevonden, toen het payment in Brabant gebruikt werd om bedragen uit te drukken die betaald werden in ‘lopend geld’, geld dat door muntontwaardingen steeds meer van zijn oorspronkelijke waarde verloor, in tegenstelling tot ‘goed geld’.

Als we ons beperken tot onze twee voorbeelden uit het cijnsboek van 1589, 3 denieren ‘goed geld’, en 20 schellingen payment, kunnen we dan nog achterhalen welke de waarde van die bedragen is? We zouden die oude bedragen moeten kunnen omrekenen naar geld uit die tijd, eind 16de eeuw dus. Gemakshalve maak ik gebruik van het oud cijnsboekje uit de 18de eeuw dat Jan Verbesselt heeft gevonden: Den schat der cheynsen, uitgegeven rond 1745. De auteur ging toen reeds te rade bij een oudere uitgave uit 1689, die op zijn beurt teruggreep op documenten uit de late 16de eeuw. De auteur schreef zijn boekje om tegemoet te komen aan de wensen van vele cijnsheffers, die reeds toen de diverse cijnzen en munten niet goed begrepen. Dus ook de tijdgenoten krabten zich dikwijls net als wij in hun haar bij die archaïsche geldbedragen.

Vanaf de late 16de eeuw begon men in plaats van het ponden-schellingen systeem meer en meer het gulden-stuivers rekensysteem te gebruiken. 1 gulden = 20 stuivers, en 1 stuiver = 4 oorden = 72 myten. Als ik het goed begrijp, dan is de ‘penning boon’ hetzelfde als de ‘penning lovensch’ (opgelet! toen ik dit schreef, begreep ik dit nog niet zo goed. De penning boon of penning goed geld is minder waard dan de penning lovensch, maar omdat het om zodanig kleine waarden gaat, blijft volgende redenering staande). 1 penning lovensch is volgens den schat der chyensen = 0 gulden 0 stuivers 0 oorden 15 myten, dus nog zelfs geen stuiver, die in de 16de eeuw gebruikt werd bij dagdagelijkse betalingen. Vermits 1 stuiver = 72 myten, is 1 penning lovens gelijk aan 0,2 stuiver. Het bedrag van 3 denieren boon uit het cijnsboek zou dan slechts 0,6 stuiver zijn, een heel klein bedrag dus.

20 schellingen payment uit het cijnsboek van 1589 is volgens den schat der cheynsen gelijk aan 20 myten uit de 16de eeuw, of 0 gulden 0 stuivers 0 oorden 20 myten. Of 0,27 stuiver, eveneens een zeer klein bedrag. Als we nu beide voorbeelden vergelijken, dan zien we dat Pieter Dielis in 1589 0,6 stuiver of 0,03 gulden betaalt voor anderhalf dagmaal grond, en Anthonis Scutters 0,3 stuiver of 0,015 gulden voor een huis en hoeve. Geen slechte zaak dus! Zeker als men weet dat het dagloon van een meester-metselaar 12 denieren Brabantse groten of 4 stuivers bedroeg.

Als al die ingewikkelde berekeningen juist zijn, dan staven ze mijn vorige bewering dat cijnzen in de loop der eeuwen bijna belachelijk laag zijn geworden, ja dat ze veeleer een symbolische waarde hadden gekregen, die niet meer in verhouding stond tot de reële economische waarde van een cijngoed. Eind 18de eeuw was het aandeel van de cijnzen in het inkomen van de abdij Tongerlo amper 2 %. Het gros van hun inkomen haalden de abdijen toen uit verpachtigen van pachthoven en landbouwgrond, die onderhevig waren aan de echte marktwetten. Cijnzen waren aan het eind van het Ancien Régime een archaïsch relict uit de middeleeleeuwen, die niettegenstaande de grote maatschappelijke veranderingen toch eeuwenlang in voege bleven.

Bronnen

Rijksarchief Leuven, Kerkarchief, nr. 9891, Cijnsboek van Abdij Vrouwenpark in Langdorp; 1589.
J.P. PEETERS, De financiën van de kleine en secundaire steden in Brabant vand e 12de tot het midden der 16de eeuw, Brussel, 1980, deel 3, p. 530-597.
J. VERBESSELT, Oude cijnzen, munten en maten, uitgegeven door VVF (overdruk uit Eigen Schoon en de Brabander, 1955)
Bron van dit artikel: Hagelandia, Scherven van de geschiedenis van het Hageland

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *