okt 11 2011
Muntgids van Rudy Beirnaert
Liefhebbers van munten en penningen zullen zeker gebaat zijn met onderstaande muntgids
Afkorting muntmetalen: AE = brons; AR = zilver; Av = goud.
Albertijn: Gouden munt van 2,5 gulden(50 Stuivers), geslagen onder de aartshertogen Albrecht en Isabella in de periode van omstreeks 1600 tot 1610. Gewicht van 5,15 gr, gehalte van 0,895%. Er bestaan ook “dubbele” albertijnen van 5 gulden(100 stuivers).
Botdrager: een dubbele groot of plak, uitgegeven in Vlaanderen in 1365 door Lodewijk van Male. De zilveren munt werd in alle Nederlandse gewesten en in vele delen van Duitseland nagebootst. Ook door Antonie van Bourgondië (1406-1415). Op de voorzijde is een zittende leeuw afgebeeld met een grote helm op zijn kop. Die lijkt op een “pot”. daaraan zou de munt zijn naam hebben ontleend. De waarde was een stuiver.
Bourgondische gulden: Ook wel “Andriesgulden”, gouden munt met de afbeelding van Sint-Andries. Geslagen in de Bourgondische Nederlanden tussen 1474-1491 en 1567-1571.
Bourgondische rijksdaalder: Zilveren munt van de Nederlanden, geslagen van 1567 tot 1571. De Bourgondische Nederlanden hadden toen hetzelfde muntstelsel als het Duitse Rijk. De beeldenaar was een Bourgondisch stokkenkruis met vuurslag. Later werd de munt in de Noordelijke Nederlanden weer aangemunt onder de naam kruisrijksdaalder (1584 -1591).
Braspenning: Zilveren munt van oorspronkelijk 2 en later 2,5 groot, voor het eerst geslagen door Jan zonder Vrees (1404 – 1419) in Vlaanderen in 1409. Munten van de zelfde waarde kregen later ook de naam braspenning. Aan het einden van de 16e eeuw was het een rekeneenheid van dezelfde waarde.
Carolusgulden: Gouden (ook zilveren) munt van Karel V (Keizer Karel). het goudstuk had een gewicht van 2,91gr, gehalte van slechts 0,583%(14 karaat). De zilveren carolusgulden werd in 1540 ingevoerd met een gewicht van 22,85gr. en een gehalte van 0,833%.
Drielander: Dit is een dubbele groot, geslagen door hertog Jan IV van Brabant (1415 – 1427). Hij liet de munt slaan na zijn huwelijk met Jacoba van Beieren in Brabant, Holland en Henegouwen. Daaraan ontleende ook de munt haar naam. De munt droeg overal dezelfde beeldenaar en had dezelfde gehalte en gewicht.
Dukaat: Zowel in goud en zilver geslagen. Afkomstig uit Venetië (einde 13e eeuw), nadien overal nagebootst, ook veelvuldig gebruikt in de Nederlanden. Bleef lang het voornaamste goudstuk in de verenigde Republiek.
Dukaton: Zilveren munt met een waarde van 3 gulden en een gewicht van 32,48gr., gehalte 0,944% fijn zilver, uitgegeven in 1618 met de borstbeelden van Albrecht en Isabella. Later ook geslagen door Philips IV en Karel II. Omstreeks het midden van de 17e eeuw beheerste de Zuid-Nederlandse dukaton ook de geldcirculatie in de Noordelijke Nederlanden. Dat werd ongaarne gezien, zodat de Republiek de Verenigde Nederlanden in 1659 een munt uitgaf met een gewicht van 32,574gr. en 0,935% fijn zilver onder de naam “zilveren rijder”. Het volk bleef deze munt echter “dukaton” noemen.
Escalin of schelling: Munt van 6 stuiver van de Zuidelijke Nederlanden. Naast hele escalins werden er ook dubbele escalins aangemunt.
Frank: Franse gouden munt, in omloop sedert 1360 door Jan II de Goede (1350 – 1364). Geïmiteerd in de Nederlanden in diverse presentaties (franc à cheval, franc à pied).
Florijn: Andere benaming voor de gouden (ook nog wel voor de zilveren) gulden. De florijn werd voor het eerst in omloop gebracht in Florence.
Gouden helm: Vlaamse gouden munt, ingevoerd door Lodewijk van Male (1346 – 1384) met een gewicht van 6,7 gram. Ook werden er 1/3 gouden helm-stukken met een gewicht van 2,32 gram uitgegeven. Ook Jan zonder Vrees (1405 – 1419) en Filips de Goede (1419 – 1467) lieten Gouden helmen slaan.
Gouden lam: geliefde Franse gouden munt, die in de Nederlanden op grote schaal geïmiteerd werd. Deze muntsoort werd in 1355 ingevoerd. In de verschillende Nederlandse gewesten werden ook dubbele gouden lammen vervaardigd, echter niet in Frankrijk.
Gouden leeuw: Voor Vlaanderen ingevoerd door Lodewijk van Male in 1365. Filips de Goede gaf een gouden leeuw uit in 1454 voor Bourgondische Nederlanden, geslagen tot 1461. De waarde was 30 stuiver, gehalte 958/1000, gewicht 4,25 gram. De Republiek der Verenigde Belgische Staten gaf in 1790 een gouden leeuw uit met een warde van 14 Brabantse guldens.
Gouden vlies of toison d’or: Gouden munt ingesteld in 1496 door Filips de Schone (1494-1506), waarde 50 stuivers. De munt werd genoemd naar het Gulden Vlies, dat er op werd afgebeeld. Ook Karel V (1506 – 1555) sloeg deze munt. Deze was in omloop van 1496 tot 1521. het gehalte was 992/1000, het gewicht 4,51 gram.
griffoen: Munt met de afbeelding van een griffioen (een gevleugeld fabeldier met het lichaam van een leeuw en de kop van een vogel). Geslagen in de Bourgondische Nederlanden tijdens de 15e eeuw. Er waren ook naast hele ook dubbele griffieonen.
Korte: Munt ter waarde van 2 mijten, waarop een kort kruis voorkomt in tegenstelling tot munten met een lang kruis. Ze werden geslagen sinds het midden van de 14e eeuw in Vlaanderen; in de 15e en 16e eeuw ook in andere Bourgondische gewesten. Aanvankelijk zilveren munten met een laag gehalte, na 1543 van koper.
Kromstaart: Vlaamse zilveren munt ter waarde van twee groot, geslagen vanaf 1416 tijdens de regering van Jan zonder Vrees (1405-1419). De munt dankt zijn naam aan de klimmende leeuw met een kromme staart.
Kroon: Zilvere munt, Oorspronkelijk in Frankrijk in omloop, nadien bij ons geïmiteerd. Meestal met wapenschild en kroon.
Mouton d’or: Ook wel gouden schaap of lam, gouden munt met afbeelding van een lam of schaap. Ook
Nobel: Engels munttype, bij ons nagemaakt en ook in de Verenigde Provinciën vrij veel in omloop. De benamingen “rozenobel” en “Henricusnobel” slaan op hetzelfde type.
Patagon: grote zilveren munt van de Zuidelijke Nederlanden, geslagen sedert 1612 en gangbaar voor 48 stuivers. De munt weegt 28,10 gram en is 875/1000 fijn van gehalte. Ingevoerd tijdens de regering van Albrecht & Isabella (1598-1621). zij worden ook wel Albertusdaalder genoemd. Op de voorzijde staat het Andreaskruis met een Bourgondisch monogram. Op de keerzijde het gekroonde Bourgondische wapenschild omhangen met de orde van het Gulden Vlies. Naast hele zijn er ook halve en vierde patagons. Voor het laatst geslagen tijdens de regering van Karel III (1703 – 1711) in 1711 te Antwerpen (voor Brabant).
Patard: Benaming voor de stuiver in de Zuidelijke Nederlanden.
Philipsdaalder: Zilveren munt van de Bourgondische Nederlanden met het borstbeeld van Philips II (1555-1598), ingevoerd in 1557; De munt weegt 34,27gr. is 833/1000 fijn zilver en was gangbaar voor 35 en later 50 stuiver. Behalve hele werden er ook 1/2, 1/5, 1/10, 1/20 (stoter) en 1/40 (braspenning) daalders vervaardigd.
Pieter: Gouden munt van het hertogdom Brabant. De naam is ontleend aan de heilige St.Pieter, die op deze munt is afgebeeld. De munt werd ingevoerd rond 1370, tijdens de regering van Jeanne en Wenceslas (1355 – 1383). Ook werden deze munten vervaardigd door Philips van St.Pol (1427 – 1430) te Leuven en door Philips de Goede (1430 – 1467) te Leuven en Zevenbergen.
Reaal: Gouden munt geslagen in 1487 onder Filips de Schone, maar ook , in een andere vorm en met een bescheidener gewicht, onder Karel V en Filips II. Er zijn ook zilveren realen in omloop geweest.
Rijder: Vrij veel gebruikte benaming o.a. voor de 14e eeuwse gouden franc, maar ook voor een Bourgondische goudstuk van 24 stuivers, voor een gouden munt geslagen in de provincies Gelderland, Overijssel en Friesland 1581-1599 en voor een gouden munt van de republiek der Verenigde Nederlanden. Gelderland Friesland en Republiek kenden ook zilveren rijders.
Schuitken: volksbenaming voor de halve gouden Bourgondische nobel, geslagen in 1488 tijdens de regering van Philips de schone (1482 – 1506) en afkomstig uit Brabant, Gelderland en Holland. deze munten wegen 3,4 gram, zijn vervaardigd van 952/1000 fijn goud en waren gangbeer voor 3 gulden en 12 stuiver.
Statendaalder: Zilveren munt geslagen tussen 1577-1579, op last van de Staten-Generaal, gewicht 30,47gr. vervaardigd van 750/1000 fijn zilver en gangbaar voor 32 stuiver. Op de voorzijde een wat schematische afbeelding van Philips II. Deze muntsoort werd geslagen door Brabant (Antwerpen,Maastricht en Brussel, Doornik).
Schild: imitatie in de nederlanden van de Franse “écu”
Soeverein: Deze benaming wordt vooral gebruikt voor de gouden munt van 6 gulden geslagen in de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden vanaf 1612. Gewicht 11,08gr., gehalte 0,947%. er bestonden ook dubbele, 1/3 en 2/3 soevereinen. Ze zijn geslagen tot 1798. De soeverein was een imitatie van de Engelse sovereign.
Vlieger: Is de naam van een 4-stuiverstuk van Karel V (1505 – 1555) waarop de rijksadelaar voorkomt. De populaire benaming voor deze munt was ook wel “krabbelaar”.
Zonnekroon: De naam werd ontleend aan de zon die boven de kroon was geplaatst. Karel V (1506 – 1555) gaf in1540 de zonekroon uit. Deze was bijna identiek aan de Franse. Hij werd tot 1555 geslagen door de Zuidelijke en noordelijke Nederlanden en was gangbaar voor 42 stuiver. Het goudgehalte was 929/100 en het gewicht 3,41 gram.
Woordenlijst van A tot Z
Woordenlijst Betekenis en uitleg
Aangetast Heel kleine putjes in de munt, meestal bij munten die uit de grond komen.
Aanmunten Metalen schijfje, het muntplaatje, te slaan met een heel hard metaalblok waarop graveersels worden aangebracht. Vroeger werd een moker gebruikt, enkele eeuwen geleden verbeterd door de schroefpers, vanaf heden met “in de muntring”
Gehalte De betrekkelijke hoeveelheid van een bestanddeel in een of andere mengsel.
Gekroond of Gelauwerd Hoofd dat een kroon draagt van gesmeed goud of lauwerbladeren.
Graveursnaam De naam van de graveur op een munt, graveur staat altijd op de munt vermeld.
Halssnede De plaats waar de hals wordt afgesneden van een afgebeeld hoofd, daaronder bevindt zich meestal de graveursnaam.
Incuus De voorzijde is normaal afgebeeld, de keerzijde hetzelfde beeltenis als de voorzijde maar in spiegelbeeld Waarom? een munt is blijven liggen in de muntring en het volgend muntplaatje is er bovenop gevallen. Met andere woorden de zijde van de eerste munt staat afgebeeld op de tweede munt.
Kartelrand De rand van de munt is gekarteld.
Keerzijde De andere zijde van de munt. Keerzijde is meestal de kant met de waarde.
Kwartslag Munt waarvan de keerzijde gedeeltelijk verdraaid staat t.o.v. voorzijde.
Listel Verheven boord van een munt, die het snel slijten tegen gaat.
Lot Hoeveelheid munten te samen, dit kan ook bv. een volledige reeks zijn van een bepaald type munt.
Maillechort Legering van koper, nikkel en zink. Ook wel eens Nieuw zilver, Argentaan of Alpaca genoemd.
Medailleslag Als u de munt met de voorzijde leesbaar voor u legt en zijdelinks draait, dan is de keerzijde ook leesbaar.
Misslag Afwijking van een bepaald munt.
Muntenset Verschillende munten samen gebracht in één gesloten verpakking. De officiële uitgaven van jaarlijkse sets worden uitgegeven door de Rijksmunt te Utrecht.
Muntplaat Een metalen schijfje waarop de graveersels worden aangebracht.
Muntslag Als u de munt met de voorzijde leesbaar voor u legt en zijdelinks draait, dan staat de tekst op de munt omgedraaid.
Naslag Munten herslaan van een bepaald type en/of jaartal na de officiële aanmunting. Met andere woorden een naslag is veel later aangemaakt dan het jaartal op de munt zelf, in sommige landen werden jaartallen geslagen die in de tijd niet werden aangemaakt.
Noodmunten Door te weinig geld in omloop tijdens de oorlog kregen steden de toestemming om zelf munten te slaan. deze munten worden noodmunten genoemd.
Numismaat Munten en/of Penning kenner of een verzamelaar.
Numismatiek De kennis en het onderzoek van munten en penningen uit geschiedkundig oogpunt.
Ontmunting Munten die uit de handel worden genomen, en ongeldig worden gemaakt.
Overslag Bij sommige munten is door gebruik van een andere stempel een jaartal over een al bestaande munt heen geslagen.
Penning Munt zonder betaalwaarde.
Positie a en b Houd de munt met de waarde naar boven, daaarna de munt recht voor het oog. Is het randschrift leesbaar gaat het om positie A, is het randschrift NIET leesbaar gaat het om positie B.
Proofset Verschillende munten in hoogst mogelijke kwaliteit (PROOF) samen gebracht in één gesloten verpakking. De officiële uitgaven van jaarlijkse proofsets worden uitgegeven door Rijksmunt te Utrecht.
Proefslag Munten aangemaakt als proefstuk. Soms vermeld op de munt als “essai”
R. Zeldzaam
R.R. Zeer Zeldzaam
R.R.R. Uiterst Zeldzaam
R.R.R.R. Uniek in zijn soort
Rand Vlak dat overeenstemt met de dikte van het stuk.
Randschrift De tekst die op de rand van een munt staat. Ook wel eens inschrift genoemd.
S Schaars
Slagaantal Aantal aangemaakte munten van een bepaald jaartal.
Stempelglans De originele glans van een munt.
Variant Afwijking van een bepaald munt.
Voorzijde Deze zijde toont meestal het hoofdonderwerp van het stuk aan. bv. hoofd, leeuw enz….
Zinkziekte Witte plekken op een zinken munt. Indien uw zinken munt de zinkziekte vertoont verwijder ze dan van uw andere zinken munten. De zinkziekte gaat nooit meer weg en tast de andere zinken munten ook aan.
©copyright 2000,-’02 Rudy Beirnaert
Alle rechten voorbehouden.



