aug 22 2011
De waarde van munten in de Bijbel
De waarde van munten in de Bijbel
door Dr. A. Dirkzwager
Abraham kocht het graf van Sara voor 400 sikkels zilver (Genesis 23: 16). Jacob kocht
voor 100 stukken geld een stuk land in Sichem (Jozua 24: 32). De dagloners uit een
bekende gelijkenis kregen een “schelling” per dag (Mattheüs 20: 2). In de eindtijd zal een
maat tarwe een schelling kosten (Openbaring 6 : 6).
Wat was de waarde van dit geld in euro’s uitgedrukt? Dat is de vraag die vaak gesteld
wordt op bijbelstudies en op school. Het loont de moeite een antwoord op die vraag te
zoeken en ons ook verder wat bezig te houden met munten uit de Oudheid.
De wetenschap die munten en het gebruik ervan bestudeert, heet numismatiek. De
munten uit de Oudheid stellen ons voor zoveel vragen, dat de numismatiek van de
Oudheid een nogal moeilijk specialisme is gaan vormen. Munten worden gevonden,
gezuiverd, verzameld en gepubliceerd. Er bestaan hele reeksen boeken met
afbeeldingen, beschrijvingen en studies over munten uit de Oudheid.
Stempels
Voor ons in de Westerse wereld ligt de uitvinding van muntgeld in Lydië. Een van de
vorsten van dit rijkje in West-Turkije, waarschijnlijk Alyattes (begin 6e eeuw v. Chr.),
zou kleine stukken metaal van stempels voorzien hebben. Het verhaal gaat, dat hij
soldaten moest uitbetalen en dat hij, om niet telkens grote hoeveelheden metaal te
moeten afwegen, stukken van het juiste gewicht liet maken en stempelen. De eerste
Lydische munten zagen er voor ons gevoel nog wat vreemd uit.
Toch bestonden er vóór deze uitvinding ook in het Oosten al gestempelde stukken
metaal. Niet alleen Jozua 24: 32 bewijst dat, ook de archeologie heeft zulke ,,munten”
uit 2250 -1200 v. Chr. aan het licht gebracht. Het betreft niet zozeer munten in onze
zin, maar goudstaafjes en staafjes van zilver en koper. Wanneer we echter, zoals in
Genesis 23: 16, over afwegen lezen, zullen we eerder aan ongemunt metaal moeten
denken. Een sikkel was namelijk niet alleen de naam van een munt, maar ook van
een gewicht.
Over de artistieke kwaliteit van de munten uit de Oudheid moeten we niet gering
denken. De koppen van koningen en keizers zijn doorgaans zeer goed herkenbaar,
zeker voor kenners.
Muntrecht
Zoals bekend, bestond de Griekse wereld in de Oudheid uit vele zelfstandige
stadstaatjes en later uit koninkrijkjes van wisselende grootte. Een van de zaken
waardoor men zijn onafhankelijkheid naar buiten kon demonstreren, vormde het
muntrecht. Wie munten sloeg, maakte daardoor duidelijk, dat hij politieke macht
bezat. Vandaar, dat er van zoveel steden, rijkjes en rijken munten gevonden konden
worden.
In de tijd waarin de Romeinen de Griekse wereld beheersten, stonden de Romeinen
aan steden of vazalvorsten soms muntrecht toe, maar in nagenoeg alle gevallen stond
op één zijde van de munten dan toch de afbeelding van de keizer om daardoor diens
oppergezag te beklemtonen. Een munt als blijk van autoriteit speelt een rol in Marcus
12:13-17. Wanneer de Farizeeën en Herodianen Jezus in een val willen lokken door
Hem te vragen, of je aan de Romeinse keizer belasting moet betalen, vraagt Hij een
schelling (denarius) te tonen. Op de munt staan de beeldenaar en het opschrift van de
keizer. Het kan zijn, dat er hier sprake was van een echt Romeinse munt meteen
Latijns opschrift. Het kan ook een munt met een Grieks opschrift geweest zijn. In beide
gevallen demonstreert het bestaan en gebruik van de munt, dat de keizer soeverein
was. Als de Farizeeën en Herodianen dus zelf munten van de keizer gebruiken,
erkennen zij zijn oppergezag en dienen ze dus ook aan zijn belastingwetten te
voldoen: „Geeft dan de keizer wat des keizers is …”
Propaganda
Ook de Romeinen vonden het muntrecht een gewichtig middel om hun gezag te doen
blijken. Ze zijn echter ook degenen geweest die op grote schaal munten voor
propagandadoeleinden gebruikten. Zoals tegenwoordig speciale postzegels
uitgegeven worden om de aandacht te vestigen op belangrijke gebeurtenissen of op
herdenkingen, zo gebruikten de Romeinen munten. Dit feit maakt munten tot een
belangrijke historische bron. Ze vormen illustraties van veroveringen, machtswisselingen,
bouwwerken, godsdienstige zaken en wat al niet.
Uit de verspreiding van Romeinse munten door de wereld kan opgemaakt worden,
hoe ver het handels verkeer van het Romeinse rijk reikte. Het voorkomen van munten
in Scandinavië, buiten het rijk dus, vormt geen probleem. We kunnen gerust
aannemen, dat er handel met die streken bestond. Merkwaardig is echter de grote
hoeveelheid Romeinse munten die in Amerika ontdekt is.
Wat waren de munten waard?
In vele handboeken bij de Bijbel en ook in bijbeluitgaven staan tabellen, waarin we
een overzicht krijgen van de destijds gangbare munten. Wij herkennen onze munten
doordat de waarde erop staat. In de Oudheid stond de waarde echter zelden op de
munten. De grootte en het gebruikte metaal waren voldoende om te weten, of men
b.v. een stater, een tetradrachme of een denarius in de hand had.
Een Romeinse denarius (NBG-vertaling „schelling”) had in de praktijk dezelfde waarde
als een Griekse drachme. Dit betekent, dat een tetradrachme vier denariën waard
was: „tetra” betekent vier. Wanneer we „zilverstukken” lezen, zijn normaal deze
munten bedoeld.
Een mna (NBG-vertaling „pond”) was 100 drachmen of denariën waard.
Kopergeld had zeer weinig waarde.
Zo is het eenvoudig de onderlinge waarde van de munten te bepalen.
De nieuwsgierige vraag:,, Zeg nu eens, hoeveel euro’s dat was”, kan helaas niet
beantwoord worden.
Ten eerste was er in de Oudheid, net zoals in onze tijd, waardevermeerdering en
waardevermindering van het geld. Keizer Diocletianus moest de inflatie een halt
toeroepen door maximumprijzen vast te stellen voor goederen en diensten.
Verder waren de behoeften destijds anders dan in onze tijd. Er waren geen kosten voor
water, elektriciteit, auto, huishoudelijke apparaten en verzekeringen. Daardoor werd een
groot deel van het geld besteed aan eten, kleding en het in stand houden van de
huishouding. Wij geven zeer weinig geld uit aan brood, zij besteedden hiervoor een veel
groter deel van hun inkomen. De prijs van het brood bijvoorbeeld kan dus niet gebruikt
worden om de waarde van het geld uit de Oudheid te vergelijken met ons geld.
Dagloon
We kunnen geen vergelijking maken tussen Griekse of Romeinse munten en de onze.
Wel kunnen we toepassingen maken met een minder duidelijk gegeven. In Mattheüs
20: 2 blijkt namelijk, dat een denarius een normaal loon vormde voor een dagloner.
Nogmaals: wij kunnen géén vergelijking maken met een normaal dagloon in onze
dagen. Ons leven is zoveel veranderd. Wel kunnen we wat meer reliëf brengen in
enkele bijbelse teksten.
a. Openbaring 6 : 6
„Een choinix tarwe voor een denarius en drie choinikes gerst voor een
denarius. En breng geen schade toe aan de olie en de wijn”.
Eén dagloon levert één choinix tarwe op. Dit was voldoende om één mens één dag te
voeden. De tekst spreekt dus over buitengewoon hoge voedselprijzen. Gelukkig kan
men voor dezelfde prijs ook de drievoudige portie gerst krijgen, maar dan betekent dit
nog, dat een gezin van meer dan drie personen met één inkomen honger begint te
krijgen. Een choinix is 1,14liter.
Wat de olie en de wijn betreft, moeten we de tekst vergelijken met Spreuken 21 . 17:
Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden, wie olie en wijn liefheeft, wordt
niet rijk”.
Blijkbaar horen olie en wijn bij vermaak van rijken. Voor Openbaring 6 betekent dat,
dat wie zich luxe kan permitteren, kennelijk niet tekortkomt.
b. Mattheüs 18 21-35
Een talent is 6000 denariën of drachmen waard. Dat komt dus neer op 6000 daglonen.
De schuld die de slaaf bij de koning had, bedroeg 10.000 talenten ofwel 10, 000 x 6.000
daglonen. Dat is 60 miljoen daglonen. In de Joodse wereld met zijn sabbatten en
feestdagen kunnen we globaal rekenen met 300 werkdagen per jaar. Dit betekent, dat
de slaaf zijn schuld kon terugverdienen in 200.000 jaar. En wat zegt de man?,, Heb
geduld met mij en ik zal u betalen!”
200.000 jaar geduld! Ons leert dit, hoe belachelijk de houding van een mens is die door
eigen verdienste met God in het reine wil komen. De zonde van een mens blijkt te
zwaar om zelf de strafte dragen. Zie ook Psalm 49 : 8-9.
Als de slaaf na zijn vrijlating later zijn medeslaaf tegenkomt, vraagt hij hem 100 denariën
terug. Dit bedrag komt overeen met 100 daglonen, ofwel 4 maanden werk. Natuurlijk
gaat het om een serieus bedrag, maar het valt in het niet bij de J0.000 talenten. Wat
mensen ons aandoen en vergeven moet worden, blijkt dus wel degelijk serieus
genomen te worden. Gods voorbeeld moet ons echter tot vergeving brengen.
Literatuur
J. Babelon, La numismatique antique, (serie Que sais-je?, 168), Paris 1949
A, N. Zadoks- Josephus Jitta en W. A. van Es, Muntwijzer voor de Romeinse tijd,
’s-Gravenhage 1962
R, A. G. Carson, Coins, Ancient, Mediaeval & Modern, I Coins of Greece and
Rome, London 1971
B. Fell, Saga America, New York 1980, p. 117
Bron: www.dirkzwagerarie.be



