Wij kopen al uw gouden munten en penningenGold-50 :: inkoopweb, wij kopen uw oud, gouden en zilveren munten en/ of penningenKlik hier voor meer info :: Inkoop gouden munten en penningen :: Gold-50

Archive for november, 2010

nov 29 2010

De Erepenning voor Verdiensten jegens Openbare Verzamelingen

 De Erepenning voor Verdiensten jegens Openbare Verzamelingen is een van de  oudste Nederlandse onderscheidingen. De erepenning, men zou ook van medaille kunnen spreken, werd op 26 juni 1817 door Koning Willem I in een Koninklijk Besluit ingesteld. Het besluit spreekt van een “Erepenning voor blijken van belangstelling in ’s Rijksverzamelingen door schenking betoond”. De medaille zou worden uitgereikt in goud, zilver of brons, als blijk van erkentelijkheid “aan hen, die enig boek- of kunstwerk, dat de vrucht van hun arbeid was, de Koning deden toekomen”. In het Koninklijk Besluit van 5 mei 1877 werden de in het besluit genoemde aanleidingen voor toekenning van deze decoratie door Koning Willem III uitgebreid met de bepaling dat de medaille zou worden toegekend “aan hen, die door het aanbieden van belangrijke geschenken of op andere wijze zich verdienstelijk hebben gemaakt ten opzichte van de verschillende wetenschappelijke en kunstverzamelingen des Rijks.” Zo kwam de medaille met de onmogelijk lange naam aan het einde van de 19e eeuw bij het publiek bekend te staan als Museummedaille.

De Erepenningen van de drie koningen waren legpenningen zonder lint. Koningin Wilhelmina verleende tot 1897 legpenningen, of liever gezegd; deze legpenningen werden namens haar door Koningin-Regentes Emma toegekend. Op 24 mei 1897 kreeg de medaille een lint en werd vastgelegd dat zij op de linkerborst zou worden gedragen. De regentes zal hebben beseft dat medailles die gedragen kunnen worden bij de gedecoreerden meer in de smaak vallen dan de penning die in een doos in de kast ligt.

Bij Koninklijk Besluit no. 31 van 28 oktober 1919 werden de toekenningscriteria door Koningin Wilhelmina nogmaals uitgebreid met “verdiensten jegens gemeentelijke (openbare) verzamelingen”. Wat ooit een medaille voor gulle schenkers en bruikleengevers was werd nu een medaille, nauwkeuriger gezegd een Koninklijke onderscheiding, voor verdienste.

In een legerorder,Nummer 112 L-LM uit 1952, werd vastgelegd welke batons de militairen die met deze medaille werden onderscheiden zouden mogen dragen. De legerleiding schreef vier batons voor. Bezitters van de zilveren en gouden erepenning zouden op hun baton een zilveren of gouden achtpuntige ster metalen ster mogen dragen. De legerorden bepaalt ook dat de dragers van een “grote gouden erepenning” onder de gouden ster op hun baton een brede gouden balk mochten aanbrengen. Deze bepaling is opmerkelijk omdat er in de Koninklijke Besluiten geen sprake was van “Grote Gouden Erepenningen voor Verdiensten jegens Openbare Verzamelingen”.

Ook onder Koningin Juliana werd de decoratie in een Koninklijk Besluit gewijzigd. De Koningin bepaalde op 26 juli 1952 dat het uiterlijk van de medaille en ook het lint veranderd zouden worden. Het lint moest voortaan oranje zijn met in het midden twee smalle rode banen. Wanneer alleen de baton gedragen wordt, dan wordt, zo schrijft het besluit voor, bij de gouden of zilveren erepenning een palmtak in de betreffende metaalsoort op de baton gedragen.

Dit Koninklijk Besluit maakte een einde aan de regeling van de legerorder.

Koningin Beatrix wijzigde alleen de vorm van de medaille. Zoals alle koningen en koninginnen liet zij haar beeltenis op de medaille plaatsen.

 

De oudste erepenning zijn rond met aan de voorzijde het portret van de Koning Willem I en het randschrift”WILLEM I KONING DER NEDERLANDEN”. De keerzijde vertoont een krans van eiken- en laurierbladeren en het opschrift “VOOR BLIJKEN VAN BELANGSTELLING IN ‘S RIJKSVERZAMELINGEN DOOR SCHENKING BETOOND”. Deze medaille was, behalve in opschrift aan de keerzijde, gelijk aan de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon zoals door Willem I werd verleend.

Bron: wikipedia

No responses yet

nov 17 2010

Geschiedenis van de munten

De geschiedenis van de munten bestuderen is een interessante hobby. We kunnen een aantal belangrijke periodes onderscheiden.

Eind 8e eeuw

Invoer door Keizer Karel de Grote van een uniform muntstelsel, uit een pond zilver (ca. 409 gram) werden 240 penningen geslagen. Een pond (Libra) is 20 schellingen (solidus), Een Schelling is 12 penningen (denarius).

Negende – Twaalfde eeuw

Geleidelijke verlaging van het zilvergehalte, In Frankrijk leidt dit tot de zogenaamde “zwarte Tournooise” penningen. Zwart vanwege het hoge kopergehalte.

Dertiende eeuw

In Frankrijk worden grotere munten geslagen om met minder munten grotere bedragen te kunnen betalen. Deze munten krijgen de waarde van 12 zwarte Tournooisen. Deze Franse schellingen krijgen de naam ‘grote tournooise’ oftewel ‘groot’. De basisrekeneenheid blijft echter de penning.
In Italie word goudgeld in roulatie gebracht: Florijnen ( uit Florence) en Dukaten (uit Venetie).

Veertiende eeuw

Naast de Franse ontstaat nu ook een Vlaams Groot, de standaard wordt nu de groot. Ook in Frankrijk, Vlaanderen en Brabant worden gouden munten geslagen, resp genaamd ‘koningsschild’, ‘gouden leeuw’ en ‘dubbele lammen’. in Duitsland worden door een viertal keurvorsten de zg. Rijnsguldens geslagen. Ook gaan steeds meer kleinere heren munten slaan, van dikwijls geringere kwaliteit.

Vijftiende eeuw

Onder leiding van de Bourgondische Hertogen vind in 1434 in de nederlanden een munthervorming plaats. De standaard munt word de Bourgondische groot. De munt van twee groten krijgt de naam ’stuiver’. De waarde van de Rijnsgulden wordt in 1466 vastgsteld op twintig stuivers. Deze gulden wordt langzamerhand de rekeneenheid. Groten worden na 1496 niet meer geslagen. De standaard munt wordt de stuiver. In goud worden twee munten geslagen: het ‘gulden muntvlies’ (50 stuivers) en de Philippusgulden van 25 stuivers.

Zestiende eeuw

Door Karel V worden na 1521 een nieuwe serie gouden munten geslagen. De ‘Carolusgulden’ van 20 stuivers, de ‘Reaal’ van zestig stuivers en de ‘Halve Reaal’ van dertig stuivers. De Carolusgulden wordt verplicht gesteld als rekeneenheid. Van het Spaanse zilver uit Amerika worden zilveren munten geslagen met verschillende waarden( o.a. realen met een waarde van 3 stuivers en munten met een waarde van 2,4 of 8 realen ( de zg spaanse matten).. In 1542 wordt een zilveren Carolusgulden geintroduceerd. Philips II voert in 1557 de zg Phlipsdaalder in met een waarde van een halve gouden reaal.

Zeventiende eeuw

Tot 1606 slaan de provincies hun eigen munten. In dat jaar wordt door de Staten Generaal een uniform muntstelsel ingevoerd. De gouden dukaat, de gouden rijder, de zilveren rijksdaalder, de leeuwendaalder en een zilveren tien-stuiverstuk. Na 1650 verdwijnen de gouden munten en worden er twee zilveren munten uitgegeven: de zilveren rijder van 63 stuivers en de zilveren dukaat van 50 stuivers. De zilveren dukaat krijgt de naam van rijksdaalder.
Het woord Daalder komt uit duitsland als afleiding van de ‘Taler’ genoemd naar het Joachimstal, waar veel zilver werd gewonnen.

Achttiende eeuw

Dit geldstelsel blijft ook gedurende de achttiende eeuw in gebruik tot het na de Fanse tijd wordt vervangen tot het stelsel dat voorkort (1 januari 2002) in gebruik was.

bron : www.duiten.nl

No responses yet

nov 08 2010

De verschillende muntkwaliteiten

Munten worden onderverdeeld in hun staat van bewaring, leren we op de website http://www.bloggen.be/muntenverzamelen. Sommige munten zijn heel even in omloop geweest en zijn beter van kwaliteit dan een munt die veel in omloop is geweest en die veel slijtage heeft. Deze kwaliteitsaanduidingen zijn soms moeilijk te bepalen en te begrijpen. Soms werkt men ook met – en + waardoor het nog verwarrender wordt. En niet alle verzamelaars hebben dezelfde mening over de kwaliteit van een munt.

Een overzicht:
P : proof of gepolijste stempel: dit zijn de munten met de hoogste kwaliteit, ze hebben een blinkend veld op de achtergond en mat reliëf. Deze munten bestaan meestal uit zilver of goud. (Eng: proof)

FDC : staat voor fleur de coin: munten die pas geslagen zijn, de munt is zo volmaakt dat er geen vormen van slijtage of krasjes vast te stellen zijn. De munt wordt met de hand opgevangen als de munt net is geslagen. (Eng: FDC)
In de praktijk zien we toch dat er munten als FDC worden aangeboden die niet aan deze criteria voldoen! Zoals kleine krasjes.

(BU: brilliant uncirculated: de munt zou van betere kwaliteit moeten zijn dan UNC, maar heeft toch nog enkele krasjes. Soms is er geen verschil tussen de UNC munten uitgegeven voor circulatie en BU munten is sets. En kan je zelfs mooiere UNC munten vinden dan in de BU sets. BU kwam pas naar boven bij de invoering van de euro.)

UNC: uncirculated: de munt is nog niet in omloop geweest, maar door de processen die de munt ondergaat om geslagen te worden (het vallen in de opvangbak) zijn er kleine krassen op de munt verschenen. De munt heeft wel zijn goede originele kleur behouden.

PR : prachtig: de munt is even in omloop geweest, er zijn geen sporen van slijtage vast te stellen. Kleine krasjes zijn mogelijk. (Eng: EF)

ZF : zeer fraai: de munt heeft al enige sporen van slijtage zoals kleine krasjes of details die vervaagt zijn. (Eng: VF)

FR : fraai: de munt is al veel in omloop geweest en heeft al vele slijtage plekken vooral op de hoger gelegen delen. De waardeaanduiding en de tekst blijven zichtbaar. Ook de litsel aan de rand is nog zichtbaar. (Eng: F)

ZG : zeer goed: de munt heeft veel slijtage plekken over de hele munt. De waarde aanduiding en tekst zijn nog net herkenbaar. De litsel is sterk afgesleten. (Eng: VG)

G : goed: de munt is sterk afgesleten, maar je kan de munt nog catalogiseren. Vaak zijn grote delen van de munt niet meer herkenbaar. (Eng: G)
Kleurverandering: na enige tijd worden munten dof en verkleuren ze. De meeste verzamelaars kijken naar de slijtage en krassen op de munt. Dus een kleurverandering heeft meestal geen invloed op de waarde van de munt.

Het spreekt voor zich dat de munten in waarde dalen als ze een mindere kwaliteit hebben.
Wanneer de munt een grote kras heeft of een deuk vertoond in de rand, daalt de munt minstens in één kwaliteitstrap.
Het is dus moeilijk om te zeggen welke kwaliteit een munt heeft zonder slijtage, maar waar de munt toch vele krassen vertoond.
Een opgepoetste munt daalt ook in waarde. Let op! Op foto’s is dit vaak niet te zien, alsook krassen op de munt.

Bron: http://www.bloggen.be/muntenverzamelen

No responses yet