dec 28 2011

De gouden en zilveren munt van Rubens

Pieter Paul Rubens is een van de grootste Vlaamse schilders. Niet te verwonderen dat er in het Rubensfeestjaar 1977 (de 400ste verjaardag van zijn geboorte) een munt van hem verscheen.

Gouden en zilveren munt

De gouden Rubens werd in een gouden en zilveren versie uitgegeven in 1977 ter herdenking van de 400e verjaardag van de geboorte van Pieter Paul Rubens. Het goudstuk is 21 mm groot, weegt 6,45 g (waarvan 5,805 g zuiver goud of te wel 90%) en werd geslagen in medailleslag.

Schilder-diplomaat

Peter Paul Rubens (Siegen (Duitsland), 28 juni 1577 – Antwerpen, 30 mei 1640) was een Vlaamse barokschilder, tekenaar en diplomaat, werkzaam in Antwerpen. Hij wordt ook wel Pieter Paul, Pieter Pauwel of Petrus Paulus genoemd.

Biografie

Rubens’ vader (Jan Rubens) was een geleerd, ontwikkeld man. Zijn moeder (Maria Pypelinckx) moet jarenlang de gezinszorg alleen dragen na het vreemdgaan van haar man, begaan met Anna van Saksen waarvoor hij in Duitsland gevangen wordt genomen en later verbannen.
Rubens krijgt een humanistische opvoeding in Keulen, daarna in Antwerpen. Na een artistieke opleiding bij Tobias Verhaecht (vader van Willem van Haecht), Adam Van Noort en Otto van Veen (Otto Venius) wordt hij in de Antwerpse gilde opgenomen als meester. Behalve een in 1597 gedateerd classicistisch portret, dat zich te New York bevindt, kent men alleen onzekere toeschrijvingen van jeugdwerk van voor 1600.
Op 9 mei 1600 vertrekt hij naar Italië, waar hij beïnvloed wordt door de kunst van de Oudheid. In Venetië treedt hij, op uitnodiging van een Mantuaans edelman, in dienst van de hertog van Mantua, Vincenzo I Gonzaga tot 1608. In deze periode leert hij veel van de werken van de kunstschilder Caravaggio. In 1601 reist hij naar Florence en Rome. Hij maakt er kennis met de Griekse en Romeinse kunst en kopieert er werken van de Italiaanse meesters. In Rome schildert hij zijn eerste altaarstuk voor het Santa Helena altaar in de kerk van het Heilig Kruis.
Van 1603 tot 1604 verblijft hij in Spanje. Hij gaat er op diplomatieke missie in opdracht van de hertog van Mantua. Hij levert verschillende geschenken aan het hof van koning Filips III. Hij beleeft er de confrontatie van de Spaanse kunst met de Venetiaanse werken van Titiaan in Madrid. In opdracht van de Hertog van Lerma schildert hij de 13-delige reeks der Apostelen en een Christus figuur, alsook een schilderij van zijn opdrachtgever gezeten op zijn paard.
Vanaf oktober 1608 gaat hij terug naar de Nederlanden en wordt hij benoemd als hofschilder van de aartshertogen Albrecht van Oostenrijk en Isabella van Spanje, in 1609. Hij blijft in Antwerpen wonen en trouwt er, op 3 oktober van datzelfde jaar, met Isabella Brant. In 1611 wordt zijn eerste dochter geboren, Clara Serena, die jong overlijdt in 1623. In 1614 wordt zijn zoon Albert geboren.
Als gevolg van het Twaalfjarig Bestand in de Nederlanden tijdens de periode 1609-1621, stijgt de welvaart in Antwerpen, waardoor Rubens snel verschillende opdrachten krijgt. In 1610 richt hij het grote pand aan de Wapper, dat nu nog altijd het Rubenshuis heet, in als atelier met een aantal knapen en leerjongens. De meester zelf schilderde vaak bij portretten alleen het gezicht en de handen; de rest was na een grove schets voor de knapen, zo kon de meester aan het hoog tempo vele opdrachten aanvaarden. Afbeeldingen van dieren liet hij over aan Frans Snyders die in Rubens’ atelier werkte, maar ook op zelfstandige basis opdrachten mocht aanvaarden. De productiviteit van de meester is verbazingwekkend. Rubens schilderde tussen 1621 en 1625 24 schilderijen voor het Palais du Luxembourg, zijn grootste opdracht ooit, die de levensloop van koningin Maria de’ Medici historisch-allegorisch uitbeelden.
Intussen was, in 1626, zijn vrouw Isabella Brant overleden. Rubens geniet het volste vertrouwen van de landvoogdes Isabella en krijgt meerdere diplomatieke opdrachten en missies te verwerken. Aldus komt hij weer in Spanje en Engeland terecht. De werken van Titiaan en de bewondering van de Hertog van Buckingham stimuleren de kunstenaar.
Hij is 53 jaar als hij, terug uit Engeland, in 1630 hertrouwt met de 16-jarige Hélène Fourment. Zijn nieuw aangekochte landgoed Het Steen te Elewijt en het gelukkige gezinsleven op het platteland begunstigen zijn kunst als paysagist. In 1632 wordt zijn dochter Clara Johanna geboren. In 1633 zijn zoon Frans. In 1635 krijgt hij nog een dochter Isabella Helena. In 1636 krijgt hij een zoon Peter Paul.
Lijdend aan jicht sterft hij, in het Rubenshuis te Antwerpen, op 30 mei 1640. Hij ligt begraven in de Sint-Jacobskerk te Antwerpen. Boven zijn graf prijkt een beeld van Maria van de hand van zijn leerling Lucas Faydherbe (Faydherbe), Mechels beeldhouwer en architect en gedurende de laatste drie jaren van Rubens leven woonachtig en werkzaam in Rubens’ atelier aan de Wapper, waar hij uitgroeide tot zijn vertrouweling.

Schilderstijl

De stijl van Rubens behoort tot de Antwerpse School uit de vroege 17e eeuw. Rubens’ oeuvre wordt gekenmerkt door de triomfalistische contrareformatorische barok. Rubens is waarschijnlijk de belangrijkste vertegenwoordiger van de Vlaamse barok, alhoewel hij duidelijk een Italiaanse invloed onderging.[bron?] Sommige van zijn portretten hebben trekjes van het absolutisme, maar veel ex-voto’s blijven toch trouw aan hun Vlaamse aard.
Rubens genoot een goede opleiding bij zijn leermeester en kende de knepen van het vak. Alles werd tot in detail voorbereid, veel studies en tekeningen getuigen hiervan. Uit de gedetailleerde schetsen die nog bewaard zijn gebleven kan worden geconcludeerd dat schilderijen in fasen werden afgewerkt.

Bron: www.wikipedia.be

No responses yet

dec 18 2011

Vooraanstaand muntenland Spanje

Spanje is als koloniale mogendheid steeds een vooraanstaand land op het vlak van munten geweest. Dit voormalig wereldrijk had dan ook de beschikking over onmetelijke voorraden goud en zilver uit Zuid-Amerika.

Spaanse real

De real was een betaalmiddel in Spanje, haar koloniën en de Verenigde Staten gedurende enkele eeuwen. Het was de eerste echte sterke munt uit onze tijden.

Vroege historie

De real werd voor het eerst geïntroduceerd door koning Pedro I en had een waarde van 3 maravedís. De waarde steeg tot in 1497 de wisselkoers werd gezet op 34 maravedís.
Maravedí was de naam van verschillende gouden en zilveren munten die tussen de 11e en de 14e eeuw op het Iberisch Schiereiland in omloop waren. Het was ook de naam voor verschillende rekenmunten tussen de 11e en de 19e eeuw.
Het woord maravedí stamt af van de marabet of marabotin, een variant van de gouden dinar die in Spanje werd geslagen en die genoemd is naar de Moorse Almoraviden (in het Arabisch المرابطون al-Murābitũn, enkelvoud . مرابط Murābit). Van het Spaanse woord maravedí zijn drie meervoudsvormen bekend maravedís, maravedíes and maravedises. Volgens de Diccionario Panhispánico van de Real Academia Española is de eerste vorm het meest eenvoudig, de tweede is een vorm die gewoonlijk wordt gebruikt voor enkelvoudsvormen met een klemtoon op de i, en de derde is de meest ongebruikelijke en minst aanbevolen vorm.

Geschiedenis

De gouden dinar werd in Spanje voor het eerst geslagen onder Abd-ar-Rahman III, Emir van Córdoba (912-961). In de loop van de 11e eeuw werd de dinar in Europa bekend onder de naam morabit of morabotin. In de 12e eeuw kopieerden de Christelijke koningen Ferdinand II van León (1157-1188) en Alfons VIII van Castilië (1158-1214) de munt. De marabotin of maravedí van Alfons had inscripties in het Arabisch, maar op de onderkant stonden de letters ALF. De gouden maravedí van Ferdinand woog ongeveer 3.8 gram.
In Castilië werd de maravedí de oro de rekenmunt [1] voor goud, samen met de solidus , de dinero voor zilver en de vellón voor biljoengoud, een legering van edelmetaal en onedel metaal.
Het aandeel goud in de munt daalde tot een gram tijdens de regering van Johan I van Aragón (1213-1276) en bleef dalen, totdat het uiteindelijk onder Alfons X van Castilië een zilveren munt werd. Nu werd het woord maravedí gebruikt voor één specifieke munt, maar ook als uitdrukking voor geld in het algemeen en voor elke munt. Bij het interpreteren teksten uit de 13e eeuw kan dit soms tot verwarring leiden.
Zo liet bijvoorbeeld Alfons X drie soorten munten van biljoengoud slaan en deze werden alle drie maravedí genoemd. Zijn zilveren munt van 1258-1271 werd ook maravedí genoemd, de maravedí de plata. Deze munt woog 6.00 gram en bevatte 3.67 gram fijn zilver. Ze was 30 dineros waard. De gangbare rekenmunt was destijds de maravedí van 15 sueldos, of 180 dineros. 1 administratieve maravedí was dus 6 maravedí-munten waard.
De zilveren administratieve maravedí vertegenwoordigde als rekenmunt in 1258 een waarde van 22 gram zilver, in 1271 was dit nog maar 11 gram, in 1286 slechts 3 gram en in 1303 1,91 gram. De gouden maravedí verdween als administratieve eenheid rond 1300. De maravedí de plata, de zilveren maravedí werd steeds meer gebruikt als rekenmunt voor grote bedragen, voor goud en voor de muntprijs van zilver. Uiteindelijk verving de maravedí de sueldo als de belangrijkste rekenmunt. Alfons XI (1312-1350) liet geen enkele maravedí slaan en onder zijn regime werd de term alleen gebruikt als rekenmunt.
In de 15e eeuw bestond er veel verwarring rond het monetaire systeem in Castilië. Deze verwarring kwam tot een hoogtepunt onder Hendrik IV van Castilië (1454-1474). Uiteindelijk werd het monetaire systeem hervormd onder het katholieke koningspaar Ferdinand II van Aragón en Isabel I van Castilië via het Decreet van Medina del Campo afgekondigd op 2 juni 1497.
De hervorming werd doorgezet door Karel V, die de ducado verving door de escudo als standard gouden munt. De maravedi werd de kleinste Spaanse rekenmunt, 1/34 deel van een reaal. De maravedi bleef in Spanje in gebruik als rekenmunt tot 1847. Na de ontdekking van Amerika werden er koperen maravedís geslagen die dienden als munt op het eiland Hispaniola en als de eerste munten van de Nieuwe Wereld beschouwd kunnen worden. Oorspronkelijk werd deze maravedí geslagen in Spanje, later lokaal op Hispaniola, voordat de muntfabrieken in Mexico en Santa Domingo werden opgericht.

No responses yet

dec 03 2011

De schat aan medailles van de Koninklijke Bibliotheek van België

Belgica is de digitale bibliotheek van de Koninklijke Bibliotheek van België. Ze biedt toegang tot verschillende categorieën van erfgoeddocumenten:

• handschriften, gedrukte werken, kaarten, muziekpartituren, geluidsopnames,
• verzamelingen van munten, penningen, tekeningen en prenten.

Belgica is ook:
• een referentiebibliotheek gericht op Belgicana,
• een zoekmotor met duizenden kranten pagina’s,
• virtuele tentoonstellingen.

Belgica stelt twee manieren voor het raadplegen van documenten voor:
• via verzamelingen (voorstellen van alle documenten die deel uitmaken van een verzameling zonder voorafgaande opzoeking)
• via zoek resultaten (voorstelling van de resultaten van een opzoeking met een specifieke zoekterm).

Doelstellingen

Belgica biedt gratis en permanent toegang tot het elektronische erfgoed van de Koninklijke Bibliotheek van België en tot documenten die werden gedigitaliseerd door andere instellingen naar wier websites ze verwijst. Belgica richt zich zowel tot vorsers als tot liefhebbers en nieuwsgierigen die nieuwe kennis willen vergaren en biedt wetenschappelijk betrouwbare informatie aan.
Belgica verrijkt de werkinstrumenten die ter beschikking staan van het gebruikelijke publiek van de Koninklijke Bibliotheek en laat toe een nieuw publiek te bereiken door contact te leggen met al wie niet ter plaatse kan komen wegens de geografische afstand of een beperkte mobiliteit.
Tot slot draagt Belgica bij tot de bewaring van de verzamelingen van de Koninklijke Bibliotheek van België, door de terbeschikkingstelling van elektronische kopieën te verkiezen boven de raadpleging van originele stukken.

Franse medaille van Andrieu en Brenet (1813)

Deze medaille werd in 1813 geslagen en bevat op de voorzijde het portret van Napoleon in Romeinse stijl (met laurierkroon) en op de keerzijde de allegorische voorstelling van een nimf die de voltooiing van de werken aan het kanaal tussen Bergen en Condé voorstelt (gezeten op een boot en met in de handen een hoorn des overvloeds).

Tekst: Johan van Heesch

Voorzijde: legende: Napoléon emp. et roi. Andrieu F.; beschrijving: Gelauwerd hoofd van Napoleon naar rechts
Keerzijde: legende: Canal de Mons à Condé. Le commerce du département de Jemmape mdcccxiii / Brenet F.; beschrijving: De allegorie van de welvaart in een bootje, op de achtergrond een kerktoren.
Ag. – 38,26g – 40,45mm – geslagen

Voor meer informatie
• A.J. Millin, Histoire métallique de Napoléon ; ou, recueil des médailles et des monnaies, qui ont été frappées depuis la première campagne de l’armée d’Italie jusqu’à son abdication en 1815, London, 1819, p. 37, 94, pl. LII.

No responses yet

nov 09 2011

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 3

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 3
1945-2002: hoogdagen en verdwijning van de Belgische frank

In deel 3 van deze verhelderende gids belicht de Nationale Bank van België de geschiedenis van de Belgische munten en biljetten in de periode 1945-2002 tot de invoering van de euro die de Belgische frank definitief zou vervangen.

In 1948 wordt beslist de oude vooroorlogse muntstukken te vervangen door koper-nikkelen en zilveren stukken, de laatste die in omloop zullen komen. Behalve op het stuk van 100 fr. ontbreekt elke verwijzing naar het koningshuis: het land wordt geleid door de Regent en koning Leopold III staat ter discussie.
In 1944 treedt België toe tot de nieuwe internationale monetaire orde, waarvan de regels worden vastgelegd tijdens de conferentie van Bretton Woods. Tijdens deze conferentie wordt onder meer het Internationaal Monetair Fonds opgericht. De Belgische frank wordt — via zijn pariteit ten opzichte van het goud en de VS-dollar — ingeschakeld in het stelsel van de goudwisselstandaard, een wereldwijd systeem van vaste wisselkoersen. Tot eind jaren 60, wanneer de wereldwijde overvloed aan VS-dollars heftige spanningen op de valutamarkten veroorzaakt, zorgt het stelsel van Bretton Woods voor betrekkelijk stabiele wisselkoersen. In augustus 1971 schorten de Verenigde Staten de converteerbaarheid van de dollar tegen goud op. Het volgende jaar voert Europa een systeem in voor het toezicht op en de regulering van de wisselkoersen, de Europese muntslang, die in 1979 zal uitgroeien tot het Europees monetair stelsel.
Net als in een groot deel van de geïndustrialiseerde wereld, zijn de jaren 60 in België een periode van snelle economische en sociale vooruitgang. Tussen 1961 en 1973 verdubbelt de koopkracht van de loontrekkenden. In 1960 is er een auto per 13 inwoners. In 1966 wordt dat een per 6,7 inwoners en in 1973 een per 4,8. De staat investeert zwaar en neemt de stijgende kosten van de sociale zekerheid op zich. Het land creëert een van ’s werelds dichtste wegennetten. Maar net als de meeste geïndustrialiseerde economieën wordt België zwaar getroffen door de oliecrisis van 1973. Die vormt het begin van een periode van grote onzekerheid, onder meer door een forse stijging van de werkloosheid en de toename van de Belgische overheidsschuld. Na de devaluatie van 1982 en het daarmee gepaard gaande herstelbeleid, vindt de Belgische frank echter geleidelijk aansluiting bij de stevigste valuta’s van de EU. Dat wordt bevestigd door de in 1990 genomen beslissing om de frank vast te koppelen aan de Duitse mark. Het volgende jaar legt de Europese Unie tijdens de top van Maastricht de voorwaarden vast om toe te treden tot de monetaire unie. België zal er een erezaak van maken deze voorwaarden na te leven.
Vanaf het begin van de jaren 60 maken de allegorische taferelen op de biljetten van de Nationale Bank plaats voor belangrijke figuren uit het “nationale” verleden: de 40 laatste jaren van de Belgische frank vormen een briljante portrettengalerij. De laatste reeks nationale biljetten, uitgegeven vanaf 1994, ligt nog vers in het geheugen. Ze is een eerbetoon aan beroemde kunstenaars uit de 19e en 20e eeuw als Sax, uitvinder van de saxofoon, de architect Victor Horta of de schilder René Magritte.
De tijdens het regentschap ontworpen munten zijn erg lang in omloop geweest. Ze worden pas op het einde van de jaren 80 vervangen. De Koninklijke munt heeft eveneens herdenkingsmunten geslagen, waaronder munten in ecu, de eerste denominatie van de eenheidsmunt. Hoewel sommige van die munten wettelijke betaalkracht krijgen, zullen ze nooit in de gewone circulatie terechtkomen. Pas in het derde millennium zouden de munten en biljetten van de Europese eenheidsmunt, met de nieuwe naam euro, daadwerkelijk worden ingevoerd. Maar dat is een ander verhaal…

Bron: www.nbb.be/

No responses yet

nov 09 2011

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 2

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 2
1914-1944: oorlogen en monetaire schokken

In deel 2 van deze verhelderende gids belicht de Nationale Bank van België de geschiedenis van de Belgische munten en biljetten in de periode 1914-1944.
Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog wordt de inwisselbaarheid van de bankbiljetten opgeheven.
Terwijl het publiek het metaalgeld oppot, drukt de Nationale Bank inderhaast een reeks zogenaamde “Rekeningen-courant”, met zelfs kleine coupures van 1 en 2 frank. Voor het eerst worden koninklijke portretten als afbeelding gebruikt. Om de Nationale Bank te straffen omdat ze haar biljetten- en goudvoorraden naar Londen heeft overgebracht, ontneemt de bezetter haar het emissievoorrecht en vertrouwt het toe aan de Société Générale. Uit deze periode dateren de biljetten met de naam van die onderneming. Om iets te doen aan de problemen met betrekking tot de geldomloop, beslissen meer dan 800 gemeenten om “noodmunten” uit te geven. Ook de Duitse mark krijgt de status van wettig betaalmiddel en overspoelt de Belgische economie. In afwachting van de Duitse oorlogsschadevergoeding, die uiteindelijk slechts gedeeltelijk zal worden gehonoreerd, worden deze marken na de oorlog tegen een gunstig tarief geruild tegen Belgische franken. Tussen 1914 en 1918 verdubbelt de geldomloop, terwijl de economie vastloopt: de inflatie wakkert aan.
In 1926 wordt de belga ingevoerd. De bedoeling van deze nieuwe rekeneenheid is de Belgische frank te onderscheiden van de Franse frank en de inwisselbaarheid van onze afbrokkelende munt te verbeteren. Die stabiliseert zich echter op slechts een zevende van zijn vroegere pariteit.
Al deze ontwikkelingen komen op een of andere manier tot uiting in de munten en biljetten van die periode. Net na de oorlog worden voor het eerst stukken van 1 frank in niet-edel metaal (nikkel) geslagen, met de vermelding “goed voor”, om hun intermediaire functie te benadrukken. De munten en biljetten van de periode 1926-1944 dragen de vermelding “belga”, zij het nooit alleen, maar altijd in combinatie met “frank”. Onmiddellijk na de oorlog beslist de Nationale Bank in een patriottische reflex voor het eerst een regerend staatshoofd, koning Albert I – en zijn echtgenote – af te beelden op de Belgische bankbiljetten van de “nationale reeks”. Als gevolg van de aanhoudende inflatie wordt in 1929 een biljet van 10 000 frank – 2 000 belga in omloop gebracht, de hoogste waarde ooit op een Belgisch bankbiljet.
In 1921 sluiten België en Luxemburg een verdrag voor een economische unie, met de bedoeling de omloop van Belgische biljetten in Luxemburg te vergemakkelijken. Pas in 1935 echter worden de Belgische bankbiljetten wettig betaalmiddel in Luxemburg. Datzelfde jaar verliest onze munt 28% van haar waarde als gevolg van een nieuwe devaluatie, de derde sinds de oorlog. Om die reden wordt de in 1935 uitgegeven zilveren herdenkingsmunt in omloop gebracht met een nominale waarde van 50 frank, en niet 40, zoals oorspronkelijk de bedoeling was en zoals op een klein aantal exemplaren staat aangegeven.
Het laatste vooroorlogse biljet wordt uitgegeven in 1933: het toont de portretten van koning Albert I en koningin Elisabeth, maar ook een symbolische afbeelding van de Maas, de Schelde en het Albertkanaal. Het graven van dit kanaal droeg bij tot de bestrijding van de buitensporige werkloosheid.
De tweede wereldoorlog brengt opnieuw rampspoed over het land. Vanaf 1942 verslechtert de situatie voor de man in de straat. De lonen worden bevroren en de prijzen schieten omhoog, met recordhoogtes tot 650% op de zwarte markt. Tussen 1940 en 1944 verdrievoudigt de geldhoeveelheid; de economie is verwoest. Vanaf juni 1940 verplicht de bezetter het gebruik van de Duitse munt, naast de Belgische frank. Vanaf 1941 worden de muntstukken in omloop, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog, vervangen door oorlogsmunten in zink.
De Nationale Bank brengt haar biljetten en reserves naar het buitenland, en de directie van de Bank wijkt uit naar Engeland. Net als tijdens de Eerste Wereldoorlog stelt de Duitse overheid als vergeldingsmaatregel een nieuwe emittent aan, de zogenaamde Emissiebank te Brussel. De biljetten die de Nationale Bank voor rekening van die laatste instelling moet drukken zullen nooit in omloop worden gebracht.
Ondertussen bereidt de Belgische regering in ballingschap – die ten dele werd gefinancierd met het goud van de Nationale Bank en door Churchill was erkend – het naoorlogse België voor. Camille Gutt, de minister van Financiën, is vastbesloten te vermijden dat België opnieuw in een inflatoire spiraal zou terechtkomen, zoals na de Eerste Wereldoorlog. Onmiddellijk na de bevrijding van Brussel in oktober 1944 zet hij een grootscheepse operatie op het getouw om de bestaande biljetten uit omloop te nemen en ze tot een bepaald plafond om te wisselen: de Gutt-operatie. Met dat doel drukte de Engelse firma Bradbury biljetten van 1 000, 500 en 100 frank, een kleinere versie van het vooroorlogse biljet van Emile Vloors. Bij De La Rue worden biljetten van 10 en 5 frank gedrukt met een eenvoudige guillochetekening. Die worden vooral door de geallieerden gebruikt als betaalmiddel bij de bevrijding. De ruiloperatie zorgt voor lange wachtrijen bij de Nationale Bank, maar na afloop is nog slechts 57 miljard frank in omloop, tegen 165 miljard bij het begin. De weg naar de wederopbouw ligt open.

Bron: www.nbb.be/

No responses yet

nov 09 2011

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 1

Beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten deel 1
1830-1914: munten en biljetten van een jonge natie

België is op wereldvlak gezien een nog relatief jong land. Het bestaat pas sinds 1830, maar deze korte periode is toch al lang genoeg om te zorgen voor een mooie geschiedenis op het vlak van munten en biljetten. Waar konden we beter terecht dan bij de Nationale Bank van België om u deze beknopte geschiedenis van de Belgische munten en biljetten in drie delen voor te stellen.
Voor het jonge België was het niet eenvoudig een nationale munteenheid te kiezen. De keuze voor de “frank” naar Frans model werd ingegeven door economische en politieke motieven.
Het duurt aanvankelijk een hele tijd voor er genoeg muntstukken zijn om het land te bevoorraden; ondertussen aanvaardt men sommige buitenlandse munten. De frank wordt gedefinieerd als een gewicht in zilver. In dit metaal worden ook de eerste munten geslagen, terwijl brons wordt gebruikt voor kleinere waarden. De wet voorziet ook in het gebruik van goud, maar dat gebeurt zelden en het “bimetallisme” zorgt voor heel wat moeilijkheden. In 1860 brengt België als eerste land ter wereld koper-nikkelmunten in omloop, vandaag de meest gebruikte legering voor het slaan van munten.
De eerste muntstukken met een Nederlands opschrift verschijnen in 1886. De eerste tweetalige biljetten volgen een jaar later.
Tijdens de eerste twintig jaren van de Belgische onafhankelijkheid spelen de bankbiljetten slechts een marginale rol in het betalingsverkeer. Ze worden uitgegeven door particuliere banken. De bankcrisis van 1848 noopt de wetgever ertoe wettelijke en gedwongen koers te verlenen aan de bankbiljetten uitgegeven door de twee belangrijkste emissiebanken, de Société Générale en de Banque de Belgique. Wettelijke koers betekent dat de biljetten als betaalmiddel moeten worden aanvaard en gedwongen koers betekent dat men de banken niet kan vragen ze tegen edel metaal om te wisselen. De wil om de bankbiljettenomloop te uniformiseren is een van de redenen voor de oprichting van de Nationale Bank in 1850 door minister van Financiën Frère-Orban.
In 1865 verenigt ons land zich met Frankrijk, Italië en Zwitserland in de Latijnse Unie. Die kent een bewogen bestaan tot ze officieel wordt ontbonden in 1926.
Van bij haar oprichting in mei 1850 wordt de Nationale Bank toegerust met een drukkerij. Door de omslachtige voorbereidingen kan de eerste reeks biljetten echter pas begin januari 1851 worden uitgegeven. Deze eerste reeks wordt gedrukt in het zwart, met aan de achterzijde een licht gekleurde veiligheidsondergrond. Op dat ogenblik tekent de gouverneur nog eigenhandig de biljetten om het vertrouwen in dit betaalmiddel te verstevigen. De gewone man laat het papiergeld links liggen. De catastrofe van de Franse assignaten uit de post-revolutionaire periode ligt nog vers in het geheugen: nadat het publiek gedwongen was deze assignaten te aanvaarden werden ze uiteindelijk verbrand en nooit terugbetaald. Toch zal het papiergeld aan populariteit winnen, in eerste instantie in zakenmilieus. Overigens is de koopkracht van de eerste biljetten – van 1 000, 500, 100, 50 en 20 frank – dermate hoog (meer dan € 4 000 voor de hoogste coupure!) dat ze in het dagelijkse leven volstrekt onbruikbaar zijn.
Tot het midden van de 20e eeuw worden de biljetten voornamelijk geïllustreerd met allegorische taferelen van min of meer symbolische figuren, die vaak handel en nijverheid moeten voorstellen. De handel wordt gesymboliseerd door de Schelde, de haven van Antwerpen en de scheepvaart. Aan de industrie appelleren afbeeldingen van de metallurgie, de mijnbouw en de Maas. Ook België, de economie, de arbeid en zelfs de spoorwegen komen in de illustraties aan bod. Tot het einde van de 19e eeuw drukt de Nationale Bank biljetten in vier kleuren; in het begin van de 20e eeuw ontwerpt Constant Montald theatrale en kleurrijke coupures in Art Nouveau-stijl. Dit zijn van de mooiste biljetten in onze geschiedenis.
In vergelijking met andere landen zijn er in België aan het einde van de 19e eeuw relatief veel bankbiljetten in omloop. Tijdens de eerste twee decennia na de oprichting van de Bank schommelde de geldomloop binnen een marge van 3 tot 4 pct. bbp, maar vanaf de jaren 1870 neemt hij regelmatig toe tot ruim 12 pct. bbp vlak vóór de Eerste Wereldoorlog. Dat de door de Bank uitgegeven bankbiljetten in 1873 wettig betaalmiddel worden is daaraan niet vreemd.

Bron: www.nbb.be/

No responses yet

okt 11 2011

Muntgids van Rudy Beirnaert

Liefhebbers van munten en penningen zullen zeker gebaat zijn met onderstaande muntgids

Afkorting muntmetalen: AE = brons; AR = zilver; Av = goud.
Albertijn: Gouden munt van 2,5 gulden(50 Stuivers), geslagen onder de aartshertogen Albrecht en Isabella in de periode van omstreeks 1600 tot 1610. Gewicht van 5,15 gr, gehalte van 0,895%. Er bestaan ook “dubbele” albertijnen van 5 gulden(100 stuivers).
Botdrager: een dubbele groot of plak, uitgegeven in Vlaanderen in 1365 door Lodewijk van Male. De zilveren munt werd in alle Nederlandse gewesten en in vele delen van Duitseland nagebootst. Ook door Antonie van Bourgondië (1406-1415). Op de voorzijde is een zittende leeuw afgebeeld met een grote helm op zijn kop. Die lijkt op een “pot”. daaraan zou de munt zijn naam hebben ontleend. De waarde was een stuiver.
Bourgondische gulden: Ook wel “Andriesgulden”, gouden munt met de afbeelding van Sint-Andries. Geslagen in de Bourgondische Nederlanden tussen 1474-1491 en 1567-1571.
Bourgondische rijksdaalder: Zilveren munt van de Nederlanden, geslagen van 1567 tot 1571. De Bourgondische Nederlanden hadden toen hetzelfde muntstelsel als het Duitse Rijk. De beeldenaar was een Bourgondisch stokkenkruis met vuurslag. Later werd de munt in de Noordelijke Nederlanden weer aangemunt onder de naam kruisrijksdaalder (1584 -1591).
Braspenning: Zilveren munt van oorspronkelijk 2 en later 2,5 groot, voor het eerst geslagen door Jan zonder Vrees (1404 – 1419) in Vlaanderen in 1409. Munten van de zelfde waarde kregen later ook de naam braspenning. Aan het einden van de 16e eeuw was het een rekeneenheid van dezelfde waarde.
Carolusgulden: Gouden (ook zilveren) munt van Karel V (Keizer Karel). het goudstuk had een gewicht van 2,91gr, gehalte van slechts 0,583%(14 karaat). De zilveren carolusgulden werd in 1540 ingevoerd met een gewicht van 22,85gr. en een gehalte van 0,833%.
Drielander: Dit is een dubbele groot, geslagen door hertog Jan IV van Brabant (1415 – 1427). Hij liet de munt slaan na zijn huwelijk met Jacoba van Beieren in Brabant, Holland en Henegouwen. Daaraan ontleende ook de munt haar naam. De munt droeg overal dezelfde beeldenaar en had dezelfde gehalte en gewicht.
Dukaat: Zowel in goud en zilver geslagen. Afkomstig uit Venetië (einde 13e eeuw), nadien overal nagebootst, ook veelvuldig gebruikt in de Nederlanden. Bleef lang het voornaamste goudstuk in de verenigde Republiek.
Dukaton: Zilveren munt met een waarde van 3 gulden en een gewicht van 32,48gr., gehalte 0,944% fijn zilver, uitgegeven in 1618 met de borstbeelden van Albrecht en Isabella. Later ook geslagen door Philips IV en Karel II. Omstreeks het midden van de 17e eeuw beheerste de Zuid-Nederlandse dukaton ook de geldcirculatie in de Noordelijke Nederlanden. Dat werd ongaarne gezien, zodat de Republiek de Verenigde Nederlanden in 1659 een munt uitgaf met een gewicht van 32,574gr. en 0,935% fijn zilver onder de naam “zilveren rijder”. Het volk bleef deze munt echter “dukaton” noemen.
Escalin of schelling: Munt van 6 stuiver van de Zuidelijke Nederlanden. Naast hele escalins werden er ook dubbele escalins aangemunt.
Frank: Franse gouden munt, in omloop sedert 1360 door Jan II de Goede (1350 – 1364). Geïmiteerd in de Nederlanden in diverse presentaties (franc à cheval, franc à pied).
Florijn: Andere benaming voor de gouden (ook nog wel voor de zilveren) gulden. De florijn werd voor het eerst in omloop gebracht in Florence.
Gouden helm: Vlaamse gouden munt, ingevoerd door Lodewijk van Male (1346 – 1384) met een gewicht van 6,7 gram. Ook werden er 1/3 gouden helm-stukken met een gewicht van 2,32 gram uitgegeven. Ook Jan zonder Vrees (1405 – 1419) en Filips de Goede (1419 – 1467) lieten Gouden helmen slaan.
Gouden lam: geliefde Franse gouden munt, die in de Nederlanden op grote schaal geïmiteerd werd. Deze muntsoort werd in 1355 ingevoerd. In de verschillende Nederlandse gewesten werden ook dubbele gouden lammen vervaardigd, echter niet in Frankrijk.
Gouden leeuw: Voor Vlaanderen ingevoerd door Lodewijk van Male in 1365. Filips de Goede gaf een gouden leeuw uit in 1454 voor Bourgondische Nederlanden, geslagen tot 1461. De waarde was 30 stuiver, gehalte 958/1000, gewicht 4,25 gram. De Republiek der Verenigde Belgische Staten gaf in 1790 een gouden leeuw uit met een warde van 14 Brabantse guldens.
Gouden vlies of toison d’or: Gouden munt ingesteld in 1496 door Filips de Schone (1494-1506), waarde 50 stuivers. De munt werd genoemd naar het Gulden Vlies, dat er op werd afgebeeld. Ook Karel V (1506 – 1555) sloeg deze munt. Deze was in omloop van 1496 tot 1521. het gehalte was 992/1000, het gewicht 4,51 gram.
griffoen: Munt met de afbeelding van een griffioen (een gevleugeld fabeldier met het lichaam van een leeuw en de kop van een vogel). Geslagen in de Bourgondische Nederlanden tijdens de 15e eeuw. Er waren ook naast hele ook dubbele griffieonen.
Korte: Munt ter waarde van 2 mijten, waarop een kort kruis voorkomt in tegenstelling tot munten met een lang kruis. Ze werden geslagen sinds het midden van de 14e eeuw in Vlaanderen; in de 15e en 16e eeuw ook in andere Bourgondische gewesten. Aanvankelijk zilveren munten met een laag gehalte, na 1543 van koper.
Kromstaart: Vlaamse zilveren munt ter waarde van twee groot, geslagen vanaf 1416 tijdens de regering van Jan zonder Vrees (1405-1419). De munt dankt zijn naam aan de klimmende leeuw met een kromme staart.
Kroon: Zilvere munt, Oorspronkelijk in Frankrijk in omloop, nadien bij ons geïmiteerd. Meestal met wapenschild en kroon.
Mouton d’or: Ook wel gouden schaap of lam, gouden munt met afbeelding van een lam of schaap. Ook
Nobel: Engels munttype, bij ons nagemaakt en ook in de Verenigde Provinciën vrij veel in omloop. De benamingen “rozenobel” en “Henricusnobel” slaan op hetzelfde type.
Patagon: grote zilveren munt van de Zuidelijke Nederlanden, geslagen sedert 1612 en gangbaar voor 48 stuivers. De munt weegt 28,10 gram en is 875/1000 fijn van gehalte. Ingevoerd tijdens de regering van Albrecht & Isabella (1598-1621). zij worden ook wel Albertusdaalder genoemd. Op de voorzijde staat het Andreaskruis met een Bourgondisch monogram. Op de keerzijde het gekroonde Bourgondische wapenschild omhangen met de orde van het Gulden Vlies. Naast hele zijn er ook halve en vierde patagons. Voor het laatst geslagen tijdens de regering van Karel III (1703 – 1711) in 1711 te Antwerpen (voor Brabant).
Patard: Benaming voor de stuiver in de Zuidelijke Nederlanden.
Philipsdaalder: Zilveren munt van de Bourgondische Nederlanden met het borstbeeld van Philips II (1555-1598), ingevoerd in 1557; De munt weegt 34,27gr. is 833/1000 fijn zilver en was gangbaar voor 35 en later 50 stuiver. Behalve hele werden er ook 1/2, 1/5, 1/10, 1/20 (stoter) en 1/40 (braspenning) daalders vervaardigd.
Pieter: Gouden munt van het hertogdom Brabant. De naam is ontleend aan de heilige St.Pieter, die op deze munt is afgebeeld. De munt werd ingevoerd rond 1370, tijdens de regering van Jeanne en Wenceslas (1355 – 1383). Ook werden deze munten vervaardigd door Philips van St.Pol (1427 – 1430) te Leuven en door Philips de Goede (1430 – 1467) te Leuven en Zevenbergen.
Reaal: Gouden munt geslagen in 1487 onder Filips de Schone, maar ook , in een andere vorm en met een bescheidener gewicht, onder Karel V en Filips II. Er zijn ook zilveren realen in omloop geweest.
Rijder: Vrij veel gebruikte benaming o.a. voor de 14e eeuwse gouden franc, maar ook voor een Bourgondische goudstuk van 24 stuivers, voor een gouden munt geslagen in de provincies Gelderland, Overijssel en Friesland 1581-1599 en voor een gouden munt van de republiek der Verenigde Nederlanden. Gelderland Friesland en Republiek kenden ook zilveren rijders.
Schuitken: volksbenaming voor de halve gouden Bourgondische nobel, geslagen in 1488 tijdens de regering van Philips de schone (1482 – 1506) en afkomstig uit Brabant, Gelderland en Holland. deze munten wegen 3,4 gram, zijn vervaardigd van 952/1000 fijn goud en waren gangbeer voor 3 gulden en 12 stuiver.
Statendaalder: Zilveren munt geslagen tussen 1577-1579, op last van de Staten-Generaal, gewicht 30,47gr. vervaardigd van 750/1000 fijn zilver en gangbaar voor 32 stuiver. Op de voorzijde een wat schematische afbeelding van Philips II. Deze muntsoort werd geslagen door Brabant (Antwerpen,Maastricht en Brussel, Doornik).
Schild: imitatie in de nederlanden van de Franse “écu”
Soeverein: Deze benaming wordt vooral gebruikt voor de gouden munt van 6 gulden geslagen in de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden vanaf 1612. Gewicht 11,08gr., gehalte 0,947%. er bestonden ook dubbele, 1/3 en 2/3 soevereinen. Ze zijn geslagen tot 1798. De soeverein was een imitatie van de Engelse sovereign.
Vlieger: Is de naam van een 4-stuiverstuk van Karel V (1505 – 1555) waarop de rijksadelaar voorkomt. De populaire benaming voor deze munt was ook wel “krabbelaar”.
Zonnekroon: De naam werd ontleend aan de zon die boven de kroon was geplaatst. Karel V (1506 – 1555) gaf in1540 de zonekroon uit. Deze was bijna identiek aan de Franse. Hij werd tot 1555 geslagen door de Zuidelijke en noordelijke Nederlanden en was gangbaar voor 42 stuiver. Het goudgehalte was 929/100 en het gewicht 3,41 gram.
Woordenlijst van A tot Z
Woordenlijst Betekenis en uitleg

Aangetast Heel kleine putjes in de munt, meestal bij munten die uit de grond komen.
Aanmunten Metalen schijfje, het muntplaatje, te slaan met een heel hard metaalblok waarop graveersels worden aangebracht. Vroeger werd een moker gebruikt, enkele eeuwen geleden verbeterd door de schroefpers, vanaf heden met “in de muntring”
Gehalte De betrekkelijke hoeveelheid van een bestanddeel in een of andere mengsel.
Gekroond of Gelauwerd Hoofd dat een kroon draagt van gesmeed goud of lauwerbladeren.
Graveursnaam De naam van de graveur op een munt, graveur staat altijd op de munt vermeld.
Halssnede De plaats waar de hals wordt afgesneden van een afgebeeld hoofd, daaronder bevindt zich meestal de graveursnaam.
Incuus De voorzijde is normaal afgebeeld, de keerzijde hetzelfde beeltenis als de voorzijde maar in spiegelbeeld Waarom? een munt is blijven liggen in de muntring en het volgend muntplaatje is er bovenop gevallen. Met andere woorden de zijde van de eerste munt staat afgebeeld op de tweede munt.
Kartelrand De rand van de munt is gekarteld.
Keerzijde De andere zijde van de munt. Keerzijde is meestal de kant met de waarde.
Kwartslag Munt waarvan de keerzijde gedeeltelijk verdraaid staat t.o.v. voorzijde.
Listel Verheven boord van een munt, die het snel slijten tegen gaat.
Lot Hoeveelheid munten te samen, dit kan ook bv. een volledige reeks zijn van een bepaald type munt.
Maillechort Legering van koper, nikkel en zink. Ook wel eens Nieuw zilver, Argentaan of Alpaca genoemd.
Medailleslag Als u de munt met de voorzijde leesbaar voor u legt en zijdelinks draait, dan is de keerzijde ook leesbaar.
Misslag Afwijking van een bepaald munt.
Muntenset Verschillende munten samen gebracht in één gesloten verpakking. De officiële uitgaven van jaarlijkse sets worden uitgegeven door de Rijksmunt te Utrecht.
Muntplaat Een metalen schijfje waarop de graveersels worden aangebracht.
Muntslag Als u de munt met de voorzijde leesbaar voor u legt en zijdelinks draait, dan staat de tekst op de munt omgedraaid.
Naslag Munten herslaan van een bepaald type en/of jaartal na de officiële aanmunting. Met andere woorden een naslag is veel later aangemaakt dan het jaartal op de munt zelf, in sommige landen werden jaartallen geslagen die in de tijd niet werden aangemaakt.
Noodmunten Door te weinig geld in omloop tijdens de oorlog kregen steden de toestemming om zelf munten te slaan. deze munten worden noodmunten genoemd.
Numismaat Munten en/of Penning kenner of een verzamelaar.
Numismatiek De kennis en het onderzoek van munten en penningen uit geschiedkundig oogpunt.
Ontmunting Munten die uit de handel worden genomen, en ongeldig worden gemaakt.
Overslag Bij sommige munten is door gebruik van een andere stempel een jaartal over een al bestaande munt heen geslagen.
Penning Munt zonder betaalwaarde.
Positie a en b Houd de munt met de waarde naar boven, daaarna de munt recht voor het oog. Is het randschrift leesbaar gaat het om positie A, is het randschrift NIET leesbaar gaat het om positie B.
Proofset Verschillende munten in hoogst mogelijke kwaliteit (PROOF) samen gebracht in één gesloten verpakking. De officiële uitgaven van jaarlijkse proofsets worden uitgegeven door Rijksmunt te Utrecht.
Proefslag Munten aangemaakt als proefstuk. Soms vermeld op de munt als “essai”
R. Zeldzaam
R.R. Zeer Zeldzaam
R.R.R. Uiterst Zeldzaam
R.R.R.R. Uniek in zijn soort
Rand Vlak dat overeenstemt met de dikte van het stuk.
Randschrift De tekst die op de rand van een munt staat. Ook wel eens inschrift genoemd.
S Schaars
Slagaantal Aantal aangemaakte munten van een bepaald jaartal.
Stempelglans De originele glans van een munt.
Variant Afwijking van een bepaald munt.
Voorzijde Deze zijde toont meestal het hoofdonderwerp van het stuk aan. bv. hoofd, leeuw enz….
Zinkziekte Witte plekken op een zinken munt. Indien uw zinken munt de zinkziekte vertoont verwijder ze dan van uw andere zinken munten. De zinkziekte gaat nooit meer weg en tast de andere zinken munten ook aan.

©copyright 2000,-’02 Rudy Beirnaert
Alle rechten voorbehouden.

No responses yet

sep 22 2011

De Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon

De Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon, werd op 18 juni 1822 in Nederland bij Koninklijk Besluit ingesteld om “een menslievende daad, die kenmerken van moed, beleid en zelfopoffering” draagt te belonen. Deze onderscheiding was ooit een legpenning maar kreeg in 1912 een draaglint.

De Erepenning draagt de woorden VOOR MENSCHLIEVEND HULPBETOON en wordt in goud, zilver en brons verleend.

Geschiedenis van de Erepenning

Luitenant Alexander de Langle redde in 1821 een sergeant uit een diepe put.De koning verkoos hem geen Militaire Willems-Orde te verlenen maar een medaille of erepenning in te stellen.
De eerste erepenning was rond en toonde het portret van Koning Willem I. Op de keerzijde is een lauwerkrans afgebeeld en ruimte voor een inscriptie gelaten. De penning was niet bedoeld om gedragen te worden. De grootte van de medaille was aan de waarde van het edelmetaal gerelateerd en de zilveren en gouden medailles hadden een diameter van 50, 41 of 35 millimeter.
In 1825 besloot Koning Willem I dat hij “edelmoedige en menslievendse daden” in het vervolg zou laten belonen door de, in deze tijd sterk in opkomst zijnde, “Maatschappijen tot Nut van het Algemeen” en zelf alleen buitenlanders en militairen voor dergelijke verdienste zou belonen.
In 1837 werd door Koning Willem II bij Koninklijk Besluit de “grootte Gouden Erepenning” ingesteld en deze had een doorsnee van 50 millimeter terwijl de waarde aanzienlijk boven die van de zilveren penning lag. De Koning liet zijn beeldenaar op de penningen aanbrengen en stelde kort na zijn aantreden vast dat de zilveren en bronzen penningen in het vervolg een diameter van 5 centimeter zouden hebben.
Koning Willem III liet in 1849 zijn beeltenis op penningen plaatsen. In 1875 liet de, inmiddels kaal geworden, koning een aangepast portret op de penningen aanbrengen.
Koningin Emma liet een portret van haar minderjarige dochter Koningin Wilhelmina “met hangend haar” op de penningen aanbrengen. De penningen werden in de jaren na 1890 alleen in brons en zilver verleend. In 1897 werd er een nieuw model erepenning ingesteld. De penning kreeg een draaglint en het model was van de Franse Sint Helena of “chocolademedaille” afgekeken.
In 1912 kreeg de penning de huidige vorm. Een langwerpige medaille met een gestileerde koningskroon waarop een moeder met drie kinderen is afgebeeld. Het motief is ontleend aan het stadhuis in Bolsward. De keerzijde draagt de woorden “De koningin aan” en laat ruimte voor een inscriptie. Een in Engeland vervaardigde kleine uitvoering van deze penning werd door de regering in ballingschap in Londen verleend. Meestal ging het om Britse zeelieden die Nederlandse schipbreukelingen hebben gered.
In een Ministeriële Beschikking van 15 april 1952 werd vastgesteld dat de gouden erepenning voor de Nederlandse civiele Orden en na het verzetskruis zal worden gedragen. Daarmee wordt onderschreven dat de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon in Goud een van Nederlands hoogste onderscheidingen is.
De zilveren en bronzen penningen volgen in rang op het Vliegerkruis.
In de 19e eeuw hebben de bezitters van deze draagpenning herhaaldelijk aangedrongen op een lint zodat zij hun onderscheiding konden dragen. De regering ging op hun wens niet in en een aantal mensen heeft daarop op eigen initiatief een draaglint in de kleuren van de Nederlandse vlag laten vervaardigen.[1]
In 1946 werd bij K.B. vastgesteld dat de gouden en zilveren erepenningen op het baton door gouden en zilveren kronen zouden worden aangeduid. De bronzen erepenning wordt aangeduid op de baton zonder kroontje.

Unieke uitreiking aan Marinepersoneel
Minister van Defensie Eimert van Middelkoop heeft donderdag 29 mei 2008 vijf Erepenningen in brons uitgereikt aan een helikopterbemanning van de Koninklijke Marine voor een gewaagde reddingsoperatie boven de Noordzee in 2003. Het gaat om vijf bemanningsleden van het Search and Rescue squadron 7 van de Koninklijke Marine omdat ze het leven hebben gered van de kapitein en de eerste stuurman van een Iraans containerschip. De ceremoniële uitreiking vond plaats op Marinevliegkamp De Kooy, ten zuiden van Den Helder.[2] Squadron 7 van de Koninklijke Marine, gestationeerd op het Marinevliegkamp De Kooy, is sinds de jaren zeventig rond de klok belast met opsporings- en reddingsvluchten boven de Noordzee en heeft in die periode al meer dan 1250 drenkelingen en mensen in nood het leven gered.
Voor de Tweede Wereldoorlog waren uitreikingen aan Marinepersoneel gebruikelijk. Na de oorlog werden ze minder frequent. De voorlaatste uitreiking van de Erepenning (brons) aan militairen vond plaats in 1982 aan een Luchtmachtmilitair.
In 2005 werden twee zilveren erepenningen uitgereikt aan redders van de KNRM.

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

No responses yet

aug 22 2011

De waarde van munten in de Bijbel

De waarde van munten in de Bijbel
door Dr. A. Dirkzwager

Abraham kocht het graf van Sara voor 400 sikkels zilver (Genesis 23: 16). Jacob kocht
voor 100 stukken geld een stuk land in Sichem (Jozua 24: 32). De dagloners uit een
bekende gelijkenis kregen een “schelling” per dag (Mattheüs 20: 2). In de eindtijd zal een
maat tarwe een schelling kosten (Openbaring 6 : 6).
Wat was de waarde van dit geld in euro’s uitgedrukt? Dat is de vraag die vaak gesteld
wordt op bijbelstudies en op school. Het loont de moeite een antwoord op die vraag te
zoeken en ons ook verder wat bezig te houden met munten uit de Oudheid.
De wetenschap die munten en het gebruik ervan bestudeert, heet numismatiek. De
munten uit de Oudheid stellen ons voor zoveel vragen, dat de numismatiek van de
Oudheid een nogal moeilijk specialisme is gaan vormen. Munten worden gevonden,
gezuiverd, verzameld en gepubliceerd. Er bestaan hele reeksen boeken met
afbeeldingen, beschrijvingen en studies over munten uit de Oudheid.

Stempels

Voor ons in de Westerse wereld ligt de uitvinding van muntgeld in Lydië. Een van de
vorsten van dit rijkje in West-Turkije, waarschijnlijk Alyattes (begin 6e eeuw v. Chr.),
zou kleine stukken metaal van stempels voorzien hebben. Het verhaal gaat, dat hij
soldaten moest uitbetalen en dat hij, om niet telkens grote hoeveelheden metaal te
moeten afwegen, stukken van het juiste gewicht liet maken en stempelen. De eerste
Lydische munten zagen er voor ons gevoel nog wat vreemd uit.
Toch bestonden er vóór deze uitvinding ook in het Oosten al gestempelde stukken
metaal. Niet alleen Jozua 24: 32 bewijst dat, ook de archeologie heeft zulke ,,munten”
uit 2250 -1200 v. Chr. aan het licht gebracht. Het betreft niet zozeer munten in onze
zin, maar goudstaafjes en staafjes van zilver en koper. Wanneer we echter, zoals in
Genesis 23: 16, over afwegen lezen, zullen we eerder aan ongemunt metaal moeten
denken. Een sikkel was namelijk niet alleen de naam van een munt, maar ook van
een gewicht.
Over de artistieke kwaliteit van de munten uit de Oudheid moeten we niet gering
denken. De koppen van koningen en keizers zijn doorgaans zeer goed herkenbaar,
zeker voor kenners.

Muntrecht

Zoals bekend, bestond de Griekse wereld in de Oudheid uit vele zelfstandige
stadstaatjes en later uit koninkrijkjes van wisselende grootte. Een van de zaken
waardoor men zijn onafhankelijkheid naar buiten kon demonstreren, vormde het
muntrecht. Wie munten sloeg, maakte daardoor duidelijk, dat hij politieke macht
bezat. Vandaar, dat er van zoveel steden, rijkjes en rijken munten gevonden konden
worden.
In de tijd waarin de Romeinen de Griekse wereld beheersten, stonden de Romeinen
aan steden of vazalvorsten soms muntrecht toe, maar in nagenoeg alle gevallen stond
op één zijde van de munten dan toch de afbeelding van de keizer om daardoor diens
oppergezag te beklemtonen. Een munt als blijk van autoriteit speelt een rol in Marcus
12:13-17. Wanneer de Farizeeën en Herodianen Jezus in een val willen lokken door
Hem te vragen, of je aan de Romeinse keizer belasting moet betalen, vraagt Hij een
schelling (denarius) te tonen. Op de munt staan de beeldenaar en het opschrift van de
keizer. Het kan zijn, dat er hier sprake was van een echt Romeinse munt meteen
Latijns opschrift. Het kan ook een munt met een Grieks opschrift geweest zijn. In beide
gevallen demonstreert het bestaan en gebruik van de munt, dat de keizer soeverein
was. Als de Farizeeën en Herodianen dus zelf munten van de keizer gebruiken,
erkennen zij zijn oppergezag en dienen ze dus ook aan zijn belastingwetten te
voldoen: „Geeft dan de keizer wat des keizers is …”
Propaganda
Ook de Romeinen vonden het muntrecht een gewichtig middel om hun gezag te doen
blijken. Ze zijn echter ook degenen geweest die op grote schaal munten voor
propagandadoeleinden gebruikten. Zoals tegenwoordig speciale postzegels
uitgegeven worden om de aandacht te vestigen op belangrijke gebeurtenissen of op
herdenkingen, zo gebruikten de Romeinen munten. Dit feit maakt munten tot een
belangrijke historische bron. Ze vormen illustraties van veroveringen, machtswisselingen,
bouwwerken, godsdienstige zaken en wat al niet.
Uit de verspreiding van Romeinse munten door de wereld kan opgemaakt worden,
hoe ver het handels verkeer van het Romeinse rijk reikte. Het voorkomen van munten
in Scandinavië, buiten het rijk dus, vormt geen probleem. We kunnen gerust
aannemen, dat er handel met die streken bestond. Merkwaardig is echter de grote
hoeveelheid Romeinse munten die in Amerika ontdekt is.

Wat waren de munten waard?

In vele handboeken bij de Bijbel en ook in bijbeluitgaven staan tabellen, waarin we
een overzicht krijgen van de destijds gangbare munten. Wij herkennen onze munten
doordat de waarde erop staat. In de Oudheid stond de waarde echter zelden op de
munten. De grootte en het gebruikte metaal waren voldoende om te weten, of men
b.v. een stater, een tetradrachme of een denarius in de hand had.
Een Romeinse denarius (NBG-vertaling „schelling”) had in de praktijk dezelfde waarde
als een Griekse drachme. Dit betekent, dat een tetradrachme vier denariën waard
was: „tetra” betekent vier. Wanneer we „zilverstukken” lezen, zijn normaal deze
munten bedoeld.
Een mna (NBG-vertaling „pond”) was 100 drachmen of denariën waard.
Kopergeld had zeer weinig waarde.
Zo is het eenvoudig de onderlinge waarde van de munten te bepalen.
De nieuwsgierige vraag:,, Zeg nu eens, hoeveel euro’s dat was”, kan helaas niet
beantwoord worden.
Ten eerste was er in de Oudheid, net zoals in onze tijd, waardevermeerdering en
waardevermindering van het geld. Keizer Diocletianus moest de inflatie een halt
toeroepen door maximumprijzen vast te stellen voor goederen en diensten.
Verder waren de behoeften destijds anders dan in onze tijd. Er waren geen kosten voor
water, elektriciteit, auto, huishoudelijke apparaten en verzekeringen. Daardoor werd een
groot deel van het geld besteed aan eten, kleding en het in stand houden van de
huishouding. Wij geven zeer weinig geld uit aan brood, zij besteedden hiervoor een veel
groter deel van hun inkomen. De prijs van het brood bijvoorbeeld kan dus niet gebruikt
worden om de waarde van het geld uit de Oudheid te vergelijken met ons geld.
Dagloon
We kunnen geen vergelijking maken tussen Griekse of Romeinse munten en de onze.
Wel kunnen we toepassingen maken met een minder duidelijk gegeven. In Mattheüs
20: 2 blijkt namelijk, dat een denarius een normaal loon vormde voor een dagloner.
Nogmaals: wij kunnen géén vergelijking maken met een normaal dagloon in onze
dagen. Ons leven is zoveel veranderd. Wel kunnen we wat meer reliëf brengen in
enkele bijbelse teksten.
a. Openbaring 6 : 6
„Een choinix tarwe voor een denarius en drie choinikes gerst voor een
denarius. En breng geen schade toe aan de olie en de wijn”.
Eén dagloon levert één choinix tarwe op. Dit was voldoende om één mens één dag te
voeden. De tekst spreekt dus over buitengewoon hoge voedselprijzen. Gelukkig kan
men voor dezelfde prijs ook de drievoudige portie gerst krijgen, maar dan betekent dit
nog, dat een gezin van meer dan drie personen met één inkomen honger begint te
krijgen. Een choinix is 1,14liter.
Wat de olie en de wijn betreft, moeten we de tekst vergelijken met Spreuken 21 . 17:
Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden, wie olie en wijn liefheeft, wordt
niet rijk”.
Blijkbaar horen olie en wijn bij vermaak van rijken. Voor Openbaring 6 betekent dat,
dat wie zich luxe kan permitteren, kennelijk niet tekortkomt.
b. Mattheüs 18 21-35
Een talent is 6000 denariën of drachmen waard. Dat komt dus neer op 6000 daglonen.
De schuld die de slaaf bij de koning had, bedroeg 10.000 talenten ofwel 10, 000 x 6.000
daglonen. Dat is 60 miljoen daglonen. In de Joodse wereld met zijn sabbatten en
feestdagen kunnen we globaal rekenen met 300 werkdagen per jaar. Dit betekent, dat
de slaaf zijn schuld kon terugverdienen in 200.000 jaar. En wat zegt de man?,, Heb
geduld met mij en ik zal u betalen!”
200.000 jaar geduld! Ons leert dit, hoe belachelijk de houding van een mens is die door
eigen verdienste met God in het reine wil komen. De zonde van een mens blijkt te
zwaar om zelf de strafte dragen. Zie ook Psalm 49 : 8-9.
Als de slaaf na zijn vrijlating later zijn medeslaaf tegenkomt, vraagt hij hem 100 denariën
terug. Dit bedrag komt overeen met 100 daglonen, ofwel 4 maanden werk. Natuurlijk
gaat het om een serieus bedrag, maar het valt in het niet bij de J0.000 talenten. Wat
mensen ons aandoen en vergeven moet worden, blijkt dus wel degelijk serieus
genomen te worden. Gods voorbeeld moet ons echter tot vergeving brengen.

Literatuur

J. Babelon, La numismatique antique, (serie Que sais-je?, 168), Paris 1949
A, N. Zadoks- Josephus Jitta en W. A. van Es, Muntwijzer voor de Romeinse tijd,
’s-Gravenhage 1962
R, A. G. Carson, Coins, Ancient, Mediaeval & Modern, I Coins of Greece and
Rome, London 1971
B. Fell, Saga America, New York 1980, p. 117

Bron: www.dirkzwagerarie.be

No responses yet

aug 10 2011

Het Penningkabinet

De collectie van het Penningkabinet is in belangrijke mate opgebouwd uit verschillende verzamelingen die ofwel door aankoop ofwel door schenking in haar bezit zijn gekomen. In deze rubriek vindt U een selectie korte biografieën van de numismaten wiens collectie zich in de staatsverzameling bevindt. Het gaat hier om reeds eerder gepubliceerde teksten die steeds in de originele taal van publicatie worden weergegeven. Voor elk personage werd wel een beknopte Nederlandse samenvatting van de originele tekst gegeven.

1860 et 1868 Renier Chalon (1802 – 23/2/1889)

Renier Chalon, afkomstig uit Bergen, was naast een bekend numismaat ook berucht om zijn originele grappen en activiteiten. Hij was gedurende bijna veertig jaar voorzitter van het Koninklijk Belgisch Genootschap voor Numismatiek. Hij schonk een belangrijke collectie Henegouwse munten aan de Staat.

1865 et 1887 Louis Geelhand (1820-1894)

Verzameling verkregen in 1865. Naast een collectie van 2.800 munten en penningen uit de Nederlanden werden in 1887 ook nog 768 jetons uit onze streken, voornamelijk uit de 15de en de 16de eeuw, verworven.
1893 Maurice de Robiano (1815-1869)

Deze belangrijke verzameling voornamelijk van munten van de graven en hertogen van Luxemburg en van de markiezen en graven van Namen bevat 3.132 stukken. Ze werd verworven in 1893.

1897 Édouard Van den Broeck (1820- 1912)

In 1897 verwierf het Penningkabinet deze collectie van meer dan 340 jetons, vervaardigd in de voormalige 17-provincies. De belangrijkste ensembles in deze verzameling echter zijn de penningen van de ontvangers-schatbewaarders van de stad Brussel (1334-1698) en deze van de ontvangers-opzichters van het Kanaal (1585-1698).

1898 Lucien de Hirsch (11/7/1856 – 6/4/1887)

1899 Albéric du Chastel (21/12/1842 – 21/1/1919)

Toen de Belgische staat in 1899 de 821 Griekse en Romeinse munten uit de collectie van Albéric du Chastel de la Howarderies aankocht, ging deze verzameling, voor wat de kwaliteit van de stukken betreft, door als één van de allermooiste ter wereld.

1903 Charles Van Schoor (1840-1902)

Verzameling van pauselijke munten en penningen geschonken in 1903. Onder de 1.550 munten bevinden zich belangrijke zeldzaamheden. De 1.200 penningen vormen het kleinere maar daarom niet minder belangrijke deel van de verzameling met prachtige medailles gegraveerd door grote artiesten zoals Guazzalotti, Paladino, Cellini, enz.

1904 Henri Surmont de Volsberghe (1820-1912)

Deze grote collectie van ongeveer 8.000 stukken werd geschonken in 1904. Ze is vooral interessant door de aanwezigheid van enkele zeer belangrijke reeksen zoals de penningen van Theodoor van Berckel en de collectie medailles, draagtekens en eretekens die betrekking hebben op de Brabantse revolutie. Daarnaast bevat de verzameling nog heel wat andere reeksen orden en eretekens, pauselijke penningen, Franse penningen alsook jetons en munten van onze gewesten.

1924 Baudoin de Jonghe (1842-1925)

De collectie De Jonghe telt meer dan 6.000 stukken en werd verworven door de Belgische staat in 1924 maar ook deels dankzij de Universitaire Stichting. De verzameling bevat heel wat zeldzaamheden en heeft betrekking op onze gewesten. Ze omvat munten die getuigen van onze gehele monetaire geschiedenis van de Galliërs tot de 19de eeuw.

1924 Charles Lefébure (1862-1943)

Deze verzameling werd geschonken in 1924. Ze is alleen al door haar omvang, meer dan 7.000 stukken, zeer belangrijk. De collectie bevat uitsluitend medailles, decoraties, speldjes en dergelijke die in België werden uitgegeven of vervaardigd in de periode 1914 – 1919. Een deel ervan werd gepubliceerd in het werk Exposé succinct et chronologique de la frappe patriotique, de nécessité, de bienfaisance et commémorative en Belgique occupée, uitgegeven te Brussel in 1923.

1940 Edouard Bernays (1847 – 20/4/1940)

Deze verzameling van 375 stukken werd geschonken in 1940. Ze bevat Luxemburgse en Naamse munten. Het gaat steeds om kwaliteitsstukken waarvan sommige uiterst zeldzaam of zelfs uniek zijn.

No responses yet

Next »